Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.4:2.4.2.4 Van een misdrijf met een maximum vrijheidsstraf van ten minste vier jaren
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.4
2.4.2.4 Van een misdrijf met een maximum vrijheidsstraf van ten minste vier jaren
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859093:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.3.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet elke lasterlijke beschuldiging is voldoende voor onwaardigheid. De wet vordert dat de beschuldiging moet zien op een misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld. Deze eis van een minimale strafbedreiging brengt tot uitdrukking dat de lasterlijke beschuldiging van voldoende gewicht moet zijn om de gevolgtrekking onwaardigheid te rechtvaardigen.
Het oude recht stelt eenzelfde voorwaarde met als enige verschil dat het OBW niet vermeldt dat de strafbedreiging wordt afgelezen aan het Nederlandse recht. Niet valt echter uit te sluiten dat deze eis onder het oude recht ook al geldt. Bij de tweede onwaardigheidsgrond merkt de minister op dat de toevoeging naar Nederlands recht is gedaan om eventuele onduidelijkheden te voorkomen.1 Eenzelfde redenering kan hier opgaan en dan is met deze verduidelijking geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Noemenswaardig is verder dat de ernst van de misdraging, in tegenstelling tot de tweede onwaardigheidsgrond, niet wordt afgemeten aan het misdrijf waaraan de onwaardige zich schuldig maakt (laster of lasterlijke aanklacht). Op deze beide delicten staat ‘slechts’ een maximale gevangenisstraf van twee jaren. De inhoud van de lasterlijke beschuldiging is hier de doorslaggevende factor.