Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.3.2
5.3.2 De soorten beschikkingen van de Commissie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582338:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Indien echter sprake was van misbruik door het aanmelden van een overeenkomst die vrijwel zeker verboden zou zijn, kon de Commissie na een voorlopig onderzoek de ondernemingen meedelen dat van ontheffing geen sprake kon zijn. Deze mededeling moet blijkens de rechtspraak worden gezien als een beschikking. Zie HvJ EG 15 maart 1967, gevoegde zaken 8-11/66 (Cimenteries), Jur. 1967, 91.
De groepsvrijstellingsverordeningen van de Commissie zijn gegeven op basis van de op art. 83 EG gebaseerde machtigingsverordeningen die zijn aangenomen door de Raad. Zie ook Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 661.
Krachtens art. 83 EG door de Raad vastgestelde Verordening 17/62.
PbEG 1994, L 377, p. 28.
Barents & Brinkhorst 2001 (alleen nog beschreven in oudere druk), p. 364.
Barents & Brinkhorst 2001 (alleen nog beschreven in oudere druk), p. 366.
Zie art. 10 Verordening 1/2003 (vaststelling van niet-toepasselijkheid).
Zie art. 10 Verordening 1/2003 (vaststelling van niet-toepasselijkheid).
Zie voor deze bevoegdheid het huidige art. 7 van Verordening 1/2003.
Zie voor deze bevoegdheid art. 23 van Verordening 1/2003. Zie voor de bevoegdheid tot het opleggen van dwangsommen art. 24 van Verordening 1/2003.
Artikel 81 lid 3 EG kon op twee manieren worden toegepast. In de eerste plaats kon een individuele ontheffing worden verkregen. Hiervoor was noodzakelijk dat de overeenkomst bij de Commissie was aangemeld. De Commissie gaf dan al of niet een beschikking waarbij ontheffing werd verleend. Door het verlenen van een ontheffing was de overeenkomst toegestaan (en dus niet nietig) en verviel het risico van bestuurssancties, in het bijzonder de boeteoplegging door de Commissie. Alleen in het geval de overeenkomst was aangemeld kon een ontheffing van het verbod van artikel 81, eerste lid EG worden verkregen. Ondernemingen waren tevens gevrijwaard tegen het opleggen van boetes als zou blijken dat er sprake was van een inbreuk op artikel 81 lid 1 EG, zolang de Commissie naar aanleiding van de aanmelding nog geen beschikking had genomen.1 In de tweede plaats kon en kan artikel 81 lid 3 EG worden toegepast door middel van een groepsvrijstelling. De Raad heeft destijds de Commissie gemachtigd om een vrijstellingsverordening uit te vaardigen waarin voorwaarden zijn neergelegd waaronder een aantal typen overeenkomsten is vrijgesteld van het kartelverbod.2 In het algemeen kan uit de vrijstellingsverordening worden afgeleid dat verticale overeenkomsten (overeenkomsten binnen de bedrijfskolom, dat wil zeggen overeenkomsten gesloten tussen ondernemingen en hun afnemers of leveranciers) door de Commissie minder erg worden gevonden dan horizontale overeenkomsten (afspraken tussen ondernemingen van dezelfde soort tussen verschillende bedrijfskolommen, veelal binnen één bedrijfstak).
Verordening 17/62 voorzag in procedures voor de handhaving van de verboden van artikel 81 lid 1 en 82 EG. De verordening voorzag tevens in een procedure voor de toepassing van het derde lid van artikel 81 EG.3 Volgens deze verordening waren zowel de Commissie als de lidstaten bevoegd de genoemde verboden te handhaven. De bevoegdheid om het derde lid van artikel 81 EG toe te passen was echter een exclusieve bevoegdheid van de Commissie. Een aanmelding moest voldoen aan een aantal eisen die nader waren uitgewerkt in Verordening 3885/94.4 De bedoeling was dat de Commissie, door de aanmeldingen van alle concurrentiebeperkende overeenkomsten die gesloten waren tussen ondernemingen, inzicht kreeg in de afspraken tussen ondernemingen en op basis van deze aanmeldingen beleid kon maken en het kartelverbod kon handhaven.5
De Commissie had met betrekking tot de toepassing van de artikelen 81 en 82 EG de mogelijkheid om vier soorten beschikkingen te geven op grond van Verordening 17/62.6
1. Negatieve verklaring
De eerste beschikking die de Commissie kon geven was de negatieve verklaring. Dit was een verklaring van de Commissie dat op grond van de haar bekende gegevens geen aanleiding bestond om op te treden ex artikel 81 lid 1 EG of artikel 82 EG. Onder de huidige Verordening 1/2003 kan ook een dergelijke negatieve verklaring worden gegeven.7 Zie § 5.3.3.2.
2. Individuele ontheffing
De tweede beschikking die de Commissie kon geven was de individuele ontheffing. Dit was een ontheffing ex artikel 81 lid 3 EG waarbij een overeenkomst die onder het kartelverbod van artikel 81 lid 1 EG viel, werd vrijgesteld.8 Onder de huidige Verordening 1/2003 kan de Commissie, indien het algemeen belang van de Gemeenschap dit vereist, ambtshalve bij beschikking vaststellen dat artikel 81 EG niet van toepassing is omdat aan de voorwaarden van artikel 81 lid 3 EG is voldaan. Zie § 5.3.3.2 en § 5.3.3.3.
3. Verbodsbeschikking
De derde beschikking die de Commissie kon en onder het regime van de huidige Verordening 1/2003 nog steeds kan geven is de verbodsbeschikking. Een beschikking waarin de Commissie de betreffende ondernemingen beveelt een einde te maken aan de toepassing van de verboden overeenkomst of gedraging.9
4. Boetebeschikking
De vierde beschikking die de Commissie kon en onder het regime van de huidige Verordening 1/2003 nog steeds kan geven is de beschikking waarin aan de desbetreffende ondernemingen een boete wordt opgelegd wegens het inbreuk maken op de artikelen 81 of 82 EG.10
Naast de officiële beschikkingen ontstonden á snel de zogenaamde 'troostbrieven'. In het geval de betreffende overeenkomst niet onder het kartelverbod viel, gaf de Commissie over het algemeen geen formele negatieve verklaring, maar volstond zij met een brief dat er geen aanleiding bestond om op te treden. Bij aanmeldingen verricht ter verkrijging van een beschikking dat voldaan was aan artikel 81 lid 3 EG werd, indien aan de voorwaarden voor ontheffing werd voldaan, ook gebruik gemaakt van de troostbrief. De troostbrief kwam dan in de plaats van de formele ontheffingsbeschikking ex artikel 81 lid 3 EG. Rond 2000 werd bij meer dan 90% van de aanmeldingen de zaak op informele wijze afgesloten.11