Grenzen aan testeervrijheid
Einde inhoudsopgave
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.7.2:7.1.7.2 Bijlage: behoefteberekening t.b.v. som voor levensonderhoud en studie
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.7.2
7.1.7.2 Bijlage: behoefteberekening t.b.v. som voor levensonderhoud en studie
Documentgegevens:
mr. drs. M.R. Beuker, datum 10-10-2022
- Datum
10-10-2022
- Auteur
mr. drs. M.R. Beuker
- JCDI
JCDI:ADS685667:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over situaties waarin strikte toepassing van art. 4:35 BW ertoe kan leiden dat onvoldoende middelen beschikbaar blijken voor onderhoud van het kind ook J.H.M. ter Haar, ‘De som ineens van art. 4:35 schiet tekort’, WPNR 2010/6865-6866, p. 868-870, p. 891-892 en J.H.M. ter Haar, ‘Een hanteerbare regeling voor het levensonderhoud van een kind na overlijden van een ouder’, WPNR 2015/7066, p. 541-548.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de werkelijk te verwachten kosten, kan ingeschat worden welk niveau de opleiding van de claimant zal hebben. Voor zover onduidelijk is of een kind thuiswonend is en blijft, is het redelijk om een som ineens toe te kennen op basis van hetgeen nodig zou zijn voor een uitwonend kind.
Een onterfde langstlevende echtgenoot kan overigens een vruchtgebruik claimen op nalatenschapsgoederen ex art. 4:29 BW of art. 4:30 BW. De behoefte van de langstlevende is ten minste gelijk aan het aandeel dat de erflater moest bijdragen aan kosten van het kind, verminderd met eventuele erfrechtelijke verkrijgingen voor de langstlevende. Zie hoofdstuk 6.3.7.1.
Voor degenen die naar de middelbare school gaan, kan aangesloten worden bij het niveau dat aansluit op de middelbareschoolopleiding. Voor kinderen die naar het basisonderwijs gaan, ligt het voor de hand om het gemiddelde bedrag te gebruiken van hetgeen noodzakelijk is voor MBO en HBO/universiteit. De bedragen staan in de Alimentatienormen. Het is aan te bevelen de meest recente versie van deze normen te gebruiken.
Stap 1: Stel vast wat de maandelijkse behoefte van het kind is. Deze is afhankelijk van de situatie van het kind:
Voor kinderen die nog naar het basisonderwijs gaan
Tenzij contra-indicaties aanwezig zijn, mag ervan worden uitgegaan dat ze vanaf hun achttiende uitwonend zullen zijn. Voor het MBO is dit bedrag 857,78 en voor het HBO/universiteit 1.101,84. Het gemiddelde is (857,78+1.101,84) / 2 = 979,81 euro
Voor kinderen die naar de middelbare school gaan of naar het MBO, het HBO of de universiteit
Tenzij contra-indicaties aanwezig zijn, mag worden uitgegaan van de volgende bedragen. Indien een kind de opleiding af kan ronden voor het bereiken van de leeftijd van 21 en het kind een concrete wens heeft een andere opleiding te volgen, zal ook met die vervolgopleiding rekening moeten worden gehouden:
Normbedragen voor levensonderhoud en les- en collegegelden
MBO, augustus t/m december 2021
Thuiswonend Uitwonend
Normbedrag voor kosten levensonderhoud
535,61
756,45
Lesgeld (per maand)
101,33
101,33
Totaal
636,94
857,78
HBO of universiteit,
september t/m december 2021
Thuiswonend en uitwonend
HBO/universiteit
Normbedrag voor kosten levensonderhoud
921,17
Collegegeld (per maand)
180,67
Totaal
1.101,84
Stap 2: Stel vast hoe groot het deel van deze behoefte is dat voor rekening komt van de erflater. Als een andere onderhoudsplichtige ouder aanwezig is, dient deze ook mee te dragen in de kosten. Als de erflater gehuwd was met de andere ouder of als de erflater de andere ouder iets naliet, zal een beroep op de som ineens in beginsel uitgesloten zijn, art. 4:35 lid 2 BW. Is de verkrijging kleiner dan kan wel recht bestaan op een aanvullende som ineens om te voorzien in de kosten voor het kind.
Het zou ver gaan en complex worden om een draagkrachtvergelijking op te stellen. Met ‘draagkracht’ van de erflater is al rekening gehouden door belang toe te kennen aan de testeervrijheid en de sommen ineens gezamenlijk te maximeren op de helft van de nalatenschap (zie art. 4:37 lid 4 BW en hoofdstuk 7.1.1.1). Redelijk lijkt daarom het eigen aandeel ouders voor het kind dat een som ineens vraagt naar rato te verdelen over de erflater en het andere onderhoudsplichtige gezinslid. Deze verdeling wordt vastgesteld op basis van de netto inkomens van de erflater enerzijds en de andere onderhoudsplichtige ouder anderzijds.
Denkbaar is dat in dat geval dat de langstlevende ouder door deze benadering een groter aandeel heeft in deze kosten dan zijn draagkracht toelaat. Mogelijk bestaan dan onvoldoende middelen om het kind te onderhouden.1 Het beoordelen van de draagkracht van de langstlevende echtgenoot kan dan toch wenselijk zijn. Als de langstlevende een gebrek aan draagkracht aantoont, is het redelijk om het aandeel van de erflater in de kosten voor het kind te verhogen op zo’n manier dat in de behoefte van het kind wordt voorzien. Berekend moet dan dus worden hoeveel draagkracht de langstlevende ouder heeft.