Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.4:2.7.4 Hof Amsterdam 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003/53
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.4
2.7.4 Hof Amsterdam 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003/53
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859220:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
K vermoordt op gewelddadige wijze zijn ouders. Hij is daarvoor in Australië veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De vader van K is een zoon van erflaatster. Erflaatster, derhalve de grootmoeder van K, heeft na die veroordeling een testament opgesteld waarin zij onder meer K uitsluit van het erfrecht in haar nalatenschap. K heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van zijn grootmoeder. De zaak speelt zich af onder het oude erfrecht. Centraal staat de vraag of K als onwaardige in de nalatenschap van zijn vader, in de nalatenschap van zijn grootmoeder bij plaatsvervulling een beroep kan doen op zijn legitieme portie.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de zeer uitzonderlijke situatie die zich in deze zaak voordoet niet door de wetgever is voorzien. De rechtbank voegt daaraan toe dat zelfs indien dit anders zou zijn, dit niet uitsluit dat in bepaalde omstandigheden een beroep kan worden gedaan op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, wanneer toepassing van de wet een onaanvaardbaar resultaat zou opleveren.
Volgens de rechtbank is hier sprake van zodanige omstandigheden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat K in dit speciale geval als erfgenaam en legitimaris in de nalatenschap van zijn grootmoeder optreedt, omdat hij zijn vader, erfgenaam in de eerste linie, om het leven heeft gebracht. Hierbij is geen factor van betekenis dat K ook bij vooroverlijden van zijn vader door een ander oorzaak recht zou hebben op de legitieme portie, nu door K zijn daad niet meer valt vast te stellen hoe de situatie zou zijn geweest als die daad achterwege zou zijn gebleven. Dat K zijn vader niet heeft omgebracht met het oogmerk om zodoende van zijn grootmoeder te kunnen erven, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Van doorslaggevende betekenis is wel dat K in dit geval in de plaats van zijn vader erft.
K heeft nog tevergeefs in stelling gebracht dat, indien zijn legitieme portie in de nalatenschap van zijn grootmoeder hem zou worden ontzegd, hij verder wordt gestraft dan door de wetgever bedoeld, aangezien hij al niet van zijn ouders heeft geërfd. Het is integendeel zo, aldus de rechtbank, dat K indien zijn vader nog had geleefd, in het geheel geen legitimaris was geweest in de nalatenschap van zijn grootmoeder. In die zin zou K, als hij bij plaatsvervulling zou erven, alsnog profiteren van de dood van zijn vader die hij uit financiële motieven heeft omgebracht.
De rechtbank verwijst vervolgens naar een algemeen rechtsbeginsel waar onwaardigheid uitdrukking aan geeft, te weten dat iemand geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander. In het licht van dit beginsel zou K zijn aanspraak op de legitieme portie onder de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een onaanvaardbaar resultaat opleveren. Onder deze omstandigheden valt ook dat grootmoeder, die volgens de onweersproken verklaring van haar dochters, zeer heeft geleden onder hetgeen K haar heeft aangedaan, hem wegens deze moord heeft onterfd. Hieruit blijkt dat grootmoeder K zijn daad niet heeft vergeven, maar juist uitdrukkelijk heeft willen vastleggen dat zij niet wenste dat hij in haar nalatenschap zou delen.
Als sluitstuk merkt de rechtbank op dat het recht op de legitieme portie niet absoluut is. In de onderhavige omstandigheden zou het negeren van de wil van grootmoeder zozeer in strijd komen met het rechtsgevoel dat het kunnen uitoefenen van dit recht hier niet kan worden aanvaard.1
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid onder zeer uitzonderlijke omstandigheden in de weg kan staan aan de uitoefening van het recht zich bij plaatsvervulling op de legitieme portie te beroepen, indien toepassing van de wet een onaanvaardbaar resultaat oplevert. Het hof kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen en bekrachtigt de uitspraak. Het hof merkt daarbij nog op dat aan zijn oordeel niet kan afdoen het betoog van K dat voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid geen plaats is, omdat er geen sprake is geweest van rechtstreeks handelen tegen grootmoeder en van onwaardigheid in de zin van de wet. Door het ontvangen van een legitieme portie in de nalatenschap van grootmoeder zou K alsnog voordeel halen uit de opzettelijk veroorzaakte dood van zijn vader en in het bezit komen van een deel van diens nalatenschap terwijl hij bovendien alleen bij plaatsvervulling erft omdat hij zijn vader heeft vermoord. Dit acht het hof temeer een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar rechtsgevolg.
De wetgever heeft ervoor gekozen geen ontnemingsbepaling voor de legitieme portie in de wet op te nemen. Geen regeling met concrete ontnemingsgronden en evenmin een algemeen geformuleerde, open, grond. Beide opties zouden in de praktijk niet goed werkbaar zijn en de rechtspraktijk te zeer kunnen belasten.2 Gekozen is voor een voorziening in de sfeer van onwaardigheid door invoering van het huidige artikel 4:3 lid 1 sub b BW.3 Uit het niet invoeren van een ontnemingsbepaling voor de legitieme portie kan gelet op de overwegingen van de wetgever niet de conclusie worden getrokken dat in het geheel geen ruimte bestaat de legitieme portie te ontzeggen. De rechtbank en het hof oordelen terecht dat het recht op de legitieme portie niet absoluut is. Dat de legitieme portie van dwingend recht is, doet daar niet aan af.
Hoewel de wetgever dus heeft nagedacht over de ontneming van de legitieme portie in het algemeen, valt daaruit niet af te leiden dat de wetgever de situatie als hier aan de orde heeft voorzien. De toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in een geval als dit leidt tot een gerechtvaardigde uitkomst. De rechtbank neemt met juistheid in ogenschouw dat voor een geslaagd beroep op deze grond sprake moet zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De genoemde omstandigheden kunnen het oordeel van de rechtbank dragen. Belangrijke factor van betekenis acht ik hierbij dat met deze uitspraak in de geest wordt gehandeld van artikel 4:3 BW. K dient geen voordeel te behalen uit het ombrengen van zijn vader. Naar mijn mening staat het oordeel daarmee niet op gespannen voet met het limitatieve karakter en de ratio van deze bepaling. Dit is te minder aan de orde nu het gaat om een situatie die de wetgever naar alle waarschijnlijkheid niet heeft voorzien.
De rechtbank merkt over dit laatste argument nog op dat ook als de wetgever de situatie wel had voorzien, een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet is uitgesloten. Ik acht dit bijvoorbeeld niet uitgesloten bij gevallen waarin sprake is van nadien opgetreden juridische ontwikkelingen of veranderde (rechts)opvattingen waardoor toepassing van de wet tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Bij recente wetgeving zal dit minder snel aan de orde zijn. Artikel 4:3 BW is met zijn invoering in 2003 een relatief recente wetsbepaling.