Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/9.5.1.3
9.5.1.3 Veranderingen in het overgangsrecht
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416296:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. de later bij Eerste en Tweede NvW ingevoegde overgangsmaatregelen in het wetsvoorstel Werken aan winst (art. VIIIa t/m VIIId) en inzake de fiscale behandeling van afgewaardeerde vorderingen Kamerstukken II 2004/05, 29 686, nr. 9.
Zie bijv. het door Bruijsten 2003 in par. 4.4 genoemde voorbeeld.
Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 169, p. 6.
Aanwijzing 277, onderdeel 2, AR.
Aanwijzing 278, AR.
Bartel 2005, p. 33.
Zie ook de toelichting bij aanwijzing 165 AR.
Nadat een wetsvoorstel ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd, worden vaak nog aanpassingen in het overgangsrecht aangebracht. De oorzaken hiervan zijn divers. Zo kunnen leden van de Tweede Kamer bij amendement verzoeken om een aanpassing, kunnen wetgevingsambtenaren op een inconsistentie zijn gestuit of kan een aanpassing noodzakelijk zijn omdat in de kernbepalingen van het wetsvoorstel aanpassingen zijn aangebracht.1 Ook ingeval in een later stadium aanpassingen in een wetsvoorstel worden aangebracht of veranderingen in het overgangsrecht worden doorgevoerd, is het van belang dat aan de hand van de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid wordt vastgesteld of aanpassingen in het aanvankelijk getroffen overgangsregime gewenst zijn. Belastingplichtigen die reeds anticipeerden op de wijziging, kunnen immers voor verrassingen komen te staan indien het overgangsregime na het voorzienbaar worden van de wetswijziging, doch voor de aanname van het wetsvoorstel wordt aangepast.2
De Raad van State heeft dit in een advies inzake de verbetering van wetgeving met betrekking tot overgangsrecht bij amendering dan ook betoogd:3
‘Afzonderlijke aandacht verdient de situatie waarin een wetsvoorstel in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is geamendeerd. Het komt voor dat een wetsvoorstel na amendering geen adequaat overgangsrecht meer bevat. Om de kwaliteit van de wetgeving ook tijdens de fase van de amendering te waarborgen, is het naar het oordeel van de Raad van belang dat de amendering van wetsvoorstellen zorgvuldig wordt begeleid. Dit onderstreept ook in dit opzicht de wenselijkheid om over (overgangsrechtelijke consequenties van) belangrijke amendementen het advies in te winnen van de Raad.’
De Raad van State spreekt voorts de wens uit dat over belangrijke amendementen advies wordt ingewonnen van de Raad. In de Aanwijzingen voor de regelgeving is thans vastgelegd dat ingeval door de regering ingrijpende wijzigingen worden aangebracht, de Raad van State over deze wijzigingen wordt gehoord, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.4 Over een bij amendement voorgestelde ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel wordt de Raad van State slechts gehoord, indien de minister of staatsecretaris daaraan behoefte gevoelt.5 Naar mijn mening laten de aanwijzingen op dit punt een te ruime beoordelingsvrijheid aan de wetgever. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Bartel opmerkt dat de stand van de parlementaire behandeling het meestal niet toelaat om nogmaals advies van de Raad van State in te winnen.6 Naar mijn mening zou de voortgang van het wetgevingsproces evenwel geen voorrang mogen krijgen op de kwaliteit van het wetgevingsproces. In een voorkomend geval kan er immers ook voor worden gekozen om het overgangsrecht op te nemen in een afzonderlijke invoeringswet.7 Striktere procedurevoorschriften zijn naar mijn mening gewenst. Daarbij zouden tevens duidelijkere richtlijnen voor het te lopen tijdpad moeten worden opgenomen om te voorkomen dat de kwaliteit van wetgeving leidt onder de snelheid waarmee het wetsvoorstel wordt behandeld.