Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.6.5
2.6.5 Systematiek van uitwisseling
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285672:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
O.a.: art. 33 Wet op de DT 1917 en de Wet VFN.
Vide: Appendix A.
Vergelijk: De Wilde 1920, blz. 229, nr. 150 inzake de Wet VB 1892, par. 76 Instructie Inkomstenbelasting 1914 waarin werd bepaald dat de ambtenaren der registratie bij het verstrekken van inlichtingen aan de inspecteur der directe belastingen ten behoeve van de Wet IB 1914 werden ontheven van de geheimhouding (Zie ook: Ohmstede 1915, blz. 201, Harms 1920, blz. 267, Boogerman 1920, blz. 225 en Sinninghe Damsté 1931, blz. 489), art. 2 Algemeene Instructie (1919) (I.V.) en par. 166 Algemeene Instructie (1927).
Sinninghe Damsté 1931, blz. 489.
In art. 32 (vernummerd naar art. 28 Wet VB 1892) en art. 45h Wet VB 1892 (vernummerd naar art. 46 Wet VB 1892) waren een ontheffing opgenomen voor de ambtenaren der registratie ten behoeve van respectievelijk de beroepsprocedures en de navordering van vermogensbelasting (Vergelijk: De Wilde 1920, blz. 343, Adriani 1931, blz. 90 en art. 107 Algemeene Instructie (1919) (I.V.). Zie ook: art. 89 Wet IB 1914 jo. par. 64, par. 67 en par. 76 Instructie Inkomstenbelasting 1914 over de samenloop tussen navordering in de Wet VB 1892 en de Wet IB 1914.
In de Wet op de BB 1893 ging een informatieplicht voor alle openbare ambtenaren de Tweede Kamer nog te ver (vergelijk: art. 42 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2 en art. 36 Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 8, toegelicht in het MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 88).
MvT, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 3, blz. 13, par. 6. Vergelijk: MvA, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 6, blz. 33, par. 6. Een dergelijke bepaling is ook in enkele andere belastingwetten opgenomen. Zie o.a.: art. 28 Ontwerp van Wet op de Winstbelasting 1940 (Kamerstukken II 1939/40, 239, nr. 2), art. 29 Besluit WB 1940 (Verordening van 26 juli 1940, Verordeningenblad 83/1940) en art. 30 Besluit LB 1940 (Verordening van 5 december 1940, Verordeningenblad 224/1940).
In het ontwerp van wet was de bepaling nog overeenkomstig art. 108 Wet IB 1914, maar bij de NvW, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 7, blz. 36 werd de bepaling aangepast.
Vergelijk: de wederkerige uitwisselingsbepaling van art. 117 Ontwerp van wet (Wet IB 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2. Deze bepaling zou het mogelijk moeten maken om fiscale gegevens uit andere belastingwetten te gebruiken ten behoeve van de inkomstenbelasting en vice versa. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22.
Daarnaast werd de uitwisselingsbepaling niet meer als apart artikel opgenomen maar werd het onderdeel van de geheimhoudingsbepaling van art. 17 Wet BHD 1934.
Het gebruik van gegevens binnen de Belastingdienst heeft het in het pre-AWR-tijdperk lang gedaan met veelal ontheffingen bij of krachtens de belastingwet waarvoor de gegevens benodigd waren. In een beperkt aantal gevallen werd in de belastingwet de mogelijkheid geschapen om de gegevens te gebruiken voor andere belastingwetten.1 In het pre-AWR-tijdperk is echter een duidelijke ontwikkeling te zien van het vergaren van gegevens ten behoeve van de uitvoering van één specifieke materiële belastingwet voor één belastingplichtige naar het integraal, meervoudig gebruik van gegevens voor alle belastingwetten en alle belastingplichtigen in de AWR. In de onderzochte fiscale wetten zijn – grofweg tot de Tweede Wereldoorlog – algemeen geformuleerde bepalingen opgenomen die het mogelijk maakten om relevante informatie te verkrijgen van andere, niet betrokken ambtenaren (ressorterende onder het Departement van Financiën) ten behoeve van de uitvoering van de desbetreffende wet.2 Dit werd vervolgens weer uitgewerkt in nadere instructies.3 Sinninghe Damsté was overigens in 1931 al van mening dat de ontheffingsbepaling in de Wet IB 1914 niet nodig was omdat het onderling uitwisselen van relevante inlichtingen niet onder het gebod van geheimhouding zou vallen.4 In enkele gevallen werden hele specifieke bepalingen in de wet opgenomen zoals bijvoorbeeld de hiervoor genoemde mogelijkheid om gebruik te maken van gegevens uit de SW 1859 ten behoeve van het opleggen van navorderingsaanslagen in de Wet VB 1892.5
Een afwijkende bepaling was opgenomen in art. 66 OWB 1916 waarin een algemene inlichtingenverplichting was opgenomen die niet alleen zag op ambtenaren, ressorterende onder het Departement van Financiën, maar gold voor alle ambtenaren.6 Dit zou onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van deze wet.7 Hiervoor werd in art. 69 OWB 1916 ontheffing van de geheimhoudingsbepaling opgenomen voor deze ambtenaren.8 In art. 33 Wet op de DT 1917 werd, zonder nadere toelichting, in de wet zelf opgenomen dat gegevens konden worden gebruikt ten behoeve van de “heffing [onderstreping VDS] van eenige aan den lande verschuldigde belasting". Samen met art. 34 Wet op de DT 1917 zorgde dit voor een onderlinge wederkerigheid bij de gegevensuitwisseling tussen belastingambtenaren.9 Ook de Wet BHD 1934 verdient speciale aandacht omdat de wettekst afweek van voorgaande bepalingen: in voorgaande bepalingen stond dat “ambtenaren kunnen worden ontheven”, maar in deze uitwisselingsbepaling stond “voor de uitvoering van deze wet zijn [onderstreping VDS] de ambtenaren ontheven van de geheimhouding”.10 Dit kwam in latere bepalingen overigens niet meer terug. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de separate uitwisselingsbepaling geruisloos uit beeld.