Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.6
6.6 Afdracht van overwaarde bij uitoefening van een verbreed eigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394947:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Weliswaar vergemakkelijkt een verplichting tot executie de vaststelling van de waarde van de zaak en daarmee de hoogte van een eventueel surplus, maar daarvoor zijn bij gebreke van een verplichte executie ook andere middelen voorhanden (zie bijv. art. 7:93 lid 2 BW).
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.8.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.1.
Wanneer men op dit punt een onderscheid zou gaan maken tussen een eenvoudig en verbreed eigendomsvoorbehoud, in die zin dat in het eerste geval geen en in het tweede geval wel overwaarde zou moeten worden vergoed, kunnen daardoor wel weer identificatieproblemen ontstaan, omdat het voor de vraag of overwaarde moet worden afgedragen van belang wordt aan te tonen of sprake is van een eenvoudig dan wel verbreed eigendomsvoorbehoud, maar dat is geen reden om dit onderscheid dan maar niet te maken. De bewijslast voor de afdracht van overwaarde ligt in beginsel namelijk op de koper, zodat de positie van de verkoper bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud – waar het de wetgever om ging bij de introductie van de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud te verbreden – niet in het gedrang komt. Zie nader hierna in hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.2.2. Dat het voor de koper soms moeilijk zal zijn om aan te tonen of sprake is van een eenvoudig of verbreed eigendomsvoorbehoud, kan bovendien geen reden zijn om hem de aanspraak op overwaarde dan maar in het geheel te ontzeggen.
Vgl. Salomons 1995, p. 822, Struycken 1996c, p. 657 (die opmerkt dat waardestijging toevalt aan degene aan wie de waarde toekomt en dat dit in het Nederlandse systeem de ‘werkelijk’ eigenaar is, althans degene die meer dan een zekerheidspositie heeft) en Kortmann & Van Hees 1995b, p. 456 (die dit in het kader van een sale and lease back-transactie de ‘overkill’ van het fiduciaverbod noemen). Zie ook Lokin 2007, p. 137-155 die spreekt van de spagaat van de Hoge Raad vanwege het feit dat geen ruimte is voor tussenvormen: een overdracht is óf een door art. 3:84 lid 3 BW verboden zekerheidsoverdracht óf een geldige overdracht, als gevolg waarvan de ‘werkelijke’ eigendom is overgegaan. In dat geval bestaat vervolgens geen correctiemechanisme voor afdracht van overwaarde. Vgl. ook HR 18 november 2005, NJ 2006, 151 (BTL Lease/Van Summeren), rov. 3.5.2, waarin duidelijk werd dat een eventuele wanverhouding tussen de waarde van de zaken en de vordering niet meer ter zake kan doen als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een geldige overdracht, maar dat voor de beoordeling van de vraag óf sprake is van een geldige overdracht wel betekenis kan worden toegekend aan de omstandigheid dat sprake is van een dergelijke wanverhouding. Voor afdracht van overwaarde is op een later moment dan geen plaats meer. Vgl. ook reeds HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 m.nt. W.M. Kleijn (Keereweer q.q./Sogelease), rov. 3.4.3 waarin de Hoge Raad oordeelde dat ‘een overeenkomst die de bevoegdheden van degene aan wie het goed wordt overgedragen, in geval van wanprestatie van zijn wederpartij beperkt tot het recht het hem overgedragen goed te gelde te maken ten einde zich uit de opbrengst daarvan te bevredigen onder gehoudenheid een eventueel overschot aan zijn wederpartij ten goede te doen komen, ingevolge art. 3:84 lid 3 niet een geldige titel voor overdracht op [levert].’ (curs. toegevoegd). Bij een verbreed eigendomsvoorbehoud staat op zichzelf niets aan een verbintenisrechtelijke afspraak in de weg die de verkoper bij terugname verplicht overwaarde als gevolg van waardestijging af te dragen aan de koper, omdat een verbreed eigendomsvoorbehoud niet de toets van art. 3:84 lid 3 BW behoeft te doorstaan – er is immers geen sprake van een overdracht aan de verkoper – maar de overweging van de Hoge Raad maakt wel duidelijk dat de toekenning van werkelijke eigendom in zijn visie samengaat met de toekenning van de volledige waarde van de zaak. Daaraan wordt voorbij gegaan door Van Vliet 2008, p. 329-330.
Lokin 2007, p. 145. Anders: Van Vliet 2008, p. 330.
Zie daarover kritisch hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.1.1.
Vgl. Struycken 1996c, p. 656-658.
Het verschil tussen de benadering van het verbreed eigendomsvoorbehoud als ingebed in de koopovereenkomst, waardoor de verkoper als ‘werkelijk’ eigenaar moet worden beschouwd en de benadering waarin de voorbehouden eigendom wordt geherkwalificeerd als zekerheidseigendom manifesteert zich, zoals reeds aan de orde kwam, met name op het gebied van de vraag naar overwaarde als gevolg van een tussentijdse waardestijging van de zaak. De vraag naar het bestaan van een eventuele verplichting tot afdracht van overwaarde kan echter ook onafhankelijk van de kwalificatie van het verbreed eigendomsvoorbehoud als ‘werkelijke’ eigendom of zekerheidseigendom worden beantwoord.1
Dat dergelijke overwaarde bij de uitoefening van een eenvoudig eigendomsvoorbehoud toekomt aan de verkoper, is in hoofdstuk 5 onderbouwd aan de hand van het feit dat de verkoper altijd eigenaar is gebleven van die zaak en overwaarde als gevolg van waardestijging van de zaak noodzakelijkerwijze toekomt aan de eigenaar van de zaak. Bovendien bestaat er geen rechtvaardiging voor toekenning van die overwaarde aan de koper, aangezien hij zelf in gebreke is gebleven met de voldoening van de prestatie die de tegenwaarde vormt voor de zaak die in waarde is gestegen.2
Voor het verbreed eigendomsvoorbehoud overtuigt die redenering minder. Als de koper de verschuldigde tegenprestatie reeds volledig heeft voldaan, heeft hij de volledige tegenwaarde van de zaak voldaan en is hij in economisch opzicht eigenaar van de desbetreffende zaak. Als de eigendomsovergang niet van de betaling van andere vorderingen afhankelijk zou zijn gemaakt, zou hij bij betaling van de koopprijs zonder meer eigenaar worden van de zaak en zodoende van de waardestijging profiteren. Wanneer men bedenkt dat de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud te verbreden uitsluitend ertoe strekt om de verkoper te behoeden voor eventuele identificatieproblemen,3 valt niet goed in te zien waarom deze mogelijke identificatieproblemen ook een normatieve grondslag zouden vormen voor het toekennen van dergelijke overwaarde aan de verkoper.4 Al met al pleit er veel voor dergelijke overwaarde na volledige voldoening van de directe tegenprestatie toe te kennen aan de koper.
Het is echter moeilijk bij de huidige stand van het Nederlandse recht een zodanige verplichting tot afdracht van overwaarde in te passen in het wettelijke systeem. Noodzakelijk is daarvoor dat een onderscheid wordt gemaakt tussen voorbehouden eigendom vóór en na voldoening van de koopprijs, terwijl de wetgever een zodanig onderscheid nu juist niet heeft gemaakt. Daarvoor is een gedifferentieerdere benadering nodig, die rekenschap geeft van de omstandigheid dat de koper bij een verbreed eigendomsvoorbehoud de tegenwaarde van de zaak reeds volledig heeft voldaan en dat de verkoper met het verbreed eigendomsvoorbehoud niet zozeer de eigen prestatie voorbehoudt om de daartegenover staande prestatie te ontvangen, maar de eigendom voorbehoudt zodat hij de reeds betaalde koopprijs als verrekeningsinstrument voor de overige vorderingen kan benutten bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Het Nederlandse recht biedt geen mogelijkheden om aan dit verschil ook rechtsgevolgen te verbinden, omdat de verkoper in beide gevallen als ‘werkelijk’ eigenaar heeft te gelden, zodat overwaarde aan hem toekomt in zijn hoedanigheid van eigenaar. Sterker nog: op grond van (de strekking van) het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW kent het Nederlandse recht uitsluitend werkelijke eigendom. Als iemand als eigenaar van een zaak heeft te gelden, betekent dit daarmee noodzakelijkerwijs ook dat een waardestijging van de zaak hem ten goede komt.5
Een grondslag voor een dergelijke verplichting tot afdracht van overwaarde is ook niet eenvoudig te vinden.6 Betwijfeld kan worden of artikel 6:212 BW hier een functie kan vervullen. Zo men al zou aannemen dat sprake is van een verarming van de koper, waarvoor men zou moeten aannemen dat deze verarming gelegen is in de omstandigheid dat hem een voordeel is ontgaan, moet betwijfeld worden of de daartegenover staande verrijking ongerechtvaardigd is, nu partijen zelf zijn overeengekomen dat de koper de eigendom van de zaak (en de daarmee noodzakelijkerwijs gepaard gaande (over)waarde) pas zou verwerven indien hij ook de overige vorderingen zou voldoen, hetgeen hij zelf heeft nagelaten. Men zou dan moeten aannemen dat deze afspraak er slechts toe strekt de verkoper te behoeden voor identificatieproblemen, zodat zij geen rechtvaardiging vormt voor een daaruit volgende toekenning van de overwaarde. Die conclusie is evenwel niet eenvoudig te bereiken, omdat een verbreed eigendomsvoorbehoud veelal ook wordt overeengekomen indien er helemaal geen identificatieproblemen kunnen optreden.7
Ook artikel 7:92 lid 1 BW biedt geen grondslag voor een verplichting tot afdracht. Deze bepaling strekt er slechts toe dat de koper bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud het reeds aanbetaalde terugkrijgt, voor zover dat een eventuele schadevergoedingsvordering van de verkoper overstijgt. Enkel in een ruimere interpretatie zou een verplichting tot afdracht op die bepaling kunnen worden gebaseerd. Het is evenwel de vraag of een dergelijke ruime interpretatie van dit artikel, die verdergaat dan hetgeen de wetgever voor ogen stond, mogelijk is, terwijl dan bovendien binnen de toepassing van dat artikel een onderscheid zou moeten worden gemaakt, dat afhankelijk zou zijn van de vraag of de koper de directe tegenprestatie al dan niet heeft voldaan.8