Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.5.1:2.5.5.1 Temporele aspecten
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.5.1
2.5.5.1 Temporele aspecten
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859171:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Perrick, Van der Burght & Ebben en Kremer zijn van mening dat degene die de erflater heeft gedwongen een uiterste wilsbeschikking te maken, onwaardig blijft ook wanneer de erflater daarna vrijelijk de gelegenheid heeft gehad een andere uiterste wilsbeschikking te maken.1 Van der Burght & Ebben merken daarbij op dat de wetgever in dit geval gewicht toekent aan de wet der traagheid.2
Deze benadering spreekt aan. Ter onderbouwing daarvan haal ik het leerstuk van de vergeving aan. Hoewel de wetgever hierbij niet expliciet spreekt over het dwingen een uiterste wilsbeschikking te maken, vermoed ik dat Van der Burght en Ebben ook deze passage op het oog hebben als het gaat om de visie van de wetgever. Elders in de wetsgeschiedenis tref ik geen standpunt aan van de wetgever op dit punt. Bij vergeving geldt dat het enkele niet herroepen van een beschikking ten voordele van de onwaardige die aan de grond der onwaardigheid vooraf gaat niet voldoende is om vergeving aan te nemen.3 Vanuit het perspectief van de erflater kent de wetgever ook hier dus gewicht toe aan het niet ondernemen van actie aan de zijde van de erflater.
Bovendien geldt dat op het moment dat de uiterste wilsbeschikking onder dwang is gemaakt, de voorwaarden van artikel 4:3 lid 1 sub d BW zijn vervuld en van een – in strafrechtelijke termen – voltooid delict sprake is. Dat de erflater vervolgens de mogelijkheid heeft de uiterste wilsbeschikking te wijzigen doet daar niet aan af. De erflater kan dan enkel het tij keren door het schenken van vergiffenis en daarvoor is een enkel stilzitten is niet voldoende.