Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/4.2.3
4.2.3 Geen wijziging of aanvulling van ingediende inschrijvingen
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10 (SAG), zie tevens B.J.H. Blaisse-Verkooyen en D.C. Orobio de Castro, ’Kroniek van het Europese aanbestedingsrecht’, TBR 2012/161. In dit arrest overweegt het Hof dat de niet-openbare aanbestedingsprocedure naar haar aard impliceert dat wanneer de selectie van de gegadigden heeft plaatsgevonden en hun inschrijving is ingediend, deze inschrijving in beginsel niet meer mag worden aangepast op initiatief van de aanbestedende dienst of van de gegadigde. Het beginsel van gelijke behandeling van de gegadigden en de hieruit voortvloeiende transparantieverplichting verzetten zich, in het kader van deze procedure, immers tegen elke onderhandeling tussen de aanbestedende dienst en de gegadigden. Een ander oordeel zou dit immers een risico opleveren dat het zou lijken alsof de aanbestedende dienst, in geval de inschrijving van die gegadigde uiteindelijk zou worden gekozen, over deze inschrijving heimelijk heeft onderhandeld, ten nadele van de andere gegadigden, en in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. In uitzonderlijke gevallen kunnen de gegevens van de inschrijvingen gericht worden verbeterd of aangevuld, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Het verzoek om nadere toelichting bij de inschrijving zou slechts mogen worden gedaan nadat de aanbestedende dienst kennis heeft genomen van alle inschrijvingen. Dit verzoek dient bovendien, bij het ontbreken van een objectief controleerbare reden die een in dit opzicht verschillende behandeling van de gegadigden kan rechtvaardigen, op vergelijkbare manier te worden gericht aan alle ondernemingen die in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder wanneer de inschrijving hoe dan ook in het licht van andere aspecten moet worden afgewezen. Voorts dient het bedoelde verzoek alle punten van de inschrijving te behandelen die onnauwkeurig zijn of niet overeenstemmen met de technische specificaties van het bestek, zonder dat de aanbestedende dienst de inschrijving kan afwijzen wegens onduidelijkheid van een aspect ervan waarop dit verzoek geen betrekking had.
Het hof oordeelt in deze procedure dat sprake is van het herstel van twee kennelijke fouten in het inschrijvingsformulier (Hof Arnhem 7 augustus 2012, LJN: BX4609).
Vz. Rb. Den Haag 13 september 2012, LJN: BX7357. Vgl. ook. Vz. Rb. Arnhem 24 januari 2012, LJN: BV3641, waarin wordt overwogen dat als de aanbestedende dienst alle inschrijvers vraagt om opnieuw in te schrijven het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Het geven van de gelegenheid aan de inschrijvers om hun inschrijving te wijzigen is in strijd met het aanbestedingsrecht. Het inhoudelijk wijzigen van de inschrijving na de sluitingstermijn is niet toegestaan. Het mogen aanpassen van een eventueel abnormaal lage prijs betekent immers dat inschrijvers die op grond van hun eerste aanbieding wellicht van verdere deelname uitgesloten moeten worden, in de herkansing dat kunnen voorkomen. Dat houdt het risico van favoritisme of willekeur bij de gunning in, omdat de aanbestedende dienst het er op deze wijze naar toe kan leiden dat de inschrijver van zijn voorkeur alsnog de inschrijver wordt met de beste inschrijving aan wie gegund moet/kan worden. Het kan ook overigens nadelig zijn voor inschrijvers die wel meteen een reële aanbieding hebben gedaan. Hun kans op gunning is immers groter als één of meer andere inschrijvers van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure worden uitgesloten. Het houden van een tweede inschrijfronde is dan ook strijdig met het gelijkheidsbeginsel.
Vz. Rb. Utrecht 7 september 2012, LJN: BX6236.
Hof Den Haag 21 februari 2012, LJN: BV6808.
Naar het oordeel van de Vz. is die omstandigheid overigens een ’conditio sine qua non’ voor de toelaatbaarheid van de geboden herstelmogelijkheid, aangezien anders – ook al zou Arriva verder geen wijziging in haar inschrijving hebben aangebracht – toch sprake zou zijn van een wijziging van de inschrijving. Immers, niet valt uit te sluiten dat het realiteitsgehalte van de door een inschrijver op het standaardformulier F19 opgenomen prijzen voor de Optie(s) Duurzame Brandstoffen, en daarmee de beoordeling van die optie(s) in de inschrijving, in belangrijke mate wordt beïnvloed door de inhoud van de conceptovereenkomst met de leverancier van die brandstoffen. Gelet hierop deed zich voor Arriva als gevolg van het ontbreken van de handtekeningen van de contractpartners niet daadwerkelijk de mogelijkheid voor om na de inschrijving nog verder met de leverancier van de brandstof te onderhandelen. Evenmin is sprake geweest van een situatie waarin het ontbreken van handtekeningen op de conceptovereenkomst voor Arriva een geoorloofde reden had kunnen vormen haar inschrijving ongedaan te maken. Geconcludeerd wordt dat verweerder door het bieden van de mogelijkheid de conceptovereenkomst alsnog te (laten) ondertekenen de kansen van de andere inschrijvers niet heeft beïnvloed en de mededinging niet heeft geschaad (Vz. CBb 25 juli 2012, LJN: BX3086). Het CBb wijst in de uitspraak op de arresten van het HvJ EU van 29 maart 2012, C-599/10 (SAG), 22 januari 1993, C-243/89 (Storebaelt) en 25 april 1996, C-87/94 (Waalse Bussen).
Algemeen uitgangspunt is dat de aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijvingen moet uitgaan van de inschrijvingen zoals die bij het sluiten van de inschrijvingstermijn zijn ontvangen. De beginselen van gelijke behandeling en transparantie verzetten zich in beginsel tegen de mogelijkheid dat een inschrijver zijn inschrijving nadien nog wijzigt of aanvult. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie1 kan in uitzonderlijke gevallen evenwel een uitzondering op het voormelde uitgangspunt worden gemaakt en kunnen inschrijvingen worden verbeterd of aangevuld, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Het verzoek van de aanbestedende dienst moet verder aan de volgende voorwaarden voldoen: (1) in de uitoefening van voormelde beoordelingsbevoegdheid moet de aanbestedende dienst de verschillende gegadigden gelijk en op loyale wijze behandelen; (2) het verzoek om nadere toelichting mag slechts worden gedaan nadat de aanbestedende dienst kennis heeft genomen van alle inschrijvingen; (3) het verzoek moet op vergelijkbare manier worden ingericht aan alle ondernemingen die in dezelfde situatie verkeren, en (4) het verzoek moet alle punten van de inschrijving behandelen die onnauwkeurig zijn of niet overeenstemmen met de technische specificaties van het bestek.2
Als in de aanbestedingsdocumentatie over de planning van de aanbestedingsprocedure wordt gesteld dat deze door de aanbestedende dienst gewijzigd kan worden, dan staat het de aanbestedende dienst niet vrij om bij een wijziging van deze planning (het verschuiven van de ingangsdatum met twee maanden) inschrijvers de mogelijkheid te bieden hun inschrijvingen te wijzigen. Nu de mogelijkheid dat de planning zou wijzigen al in de offerteaanvraag was voorzien, hadden de inschrijvers daarmee dus rekening moeten houden en had de aanbestedende dienst mogen aannemen dat de inschrijvers de eventueel daaraan verbonden extra kosten hebben verdisconteerd in hun (oorspronkelijke) prijs. Er was dan ook geen sprake van een nadere, eenvoudige, precisering van de inschrijvingen dan wel het rechtzetten van een kennelijke materiële fout die een wijziging van de inschrijvingen rechtvaardigde.3
De mogelijkheid om aanvullende informatie te vragen aan een inschrijver, kan onder omstandigheden ook verplicht zijn. Zo had de aanbestedende dienst ProRail in de aanbestedingsdocumenten onvoldoende duidelijk gemaakt dat al bij de inschrijving een CO2-bewustcertificaat van de onderaannemer moest worden gevoegd om in aanmerking te kunnen komen voor korting. Deze onduidelijkheid diende voor rekening en risico van ProRail te komen. Het had op de weg van ProRail gelegen om het certificaat alsnog op te vragen bij de inschrijver. ProRail zou hiermee niet in strijd met het concurrentiebeginsel en/of het transparantiebeginsel hebben gehandeld, te minder nu het ontbrekende document door een onafhankelijke instelling wordt afgegeven en de inschrijver daarop op geen enkele wijze invloed kan uitoefenen. Het alsnog opvragen van het certificaat kan niet worden aangemerkt als het voeren van onderhandelingen, maar slechts als een verduidelijking van haar inschrijving, teneinde de evaluatieprijs te kunnen berekenen. Dit mocht van ProRail worden verwacht, aangezien zij zelf verantwoordelijk is voor de gebleken onduidelijkheid.4
Het is niet altijd eenvoudig om te bepalen of sprake is van een ’vergissing’, bijvoorbeeld als een verkeerd veld in het inschrijfdocument is ingevuld. Het Hof Den Haag oordeelde dat van de aanbestedende dienst niet mocht worden verlangd dat zij, toen zij bij de beoordeling van de inschrijving een resolutie aflas die afweek van de vereiste resolutie, keek (ook al was dat wellicht gemakkelijk te zien) of zich geen ongerijmdheden (in de weergegeven bijbehorende afmetingen) voordeden en dat zij vervolgens onderzocht of niet toch de juiste resolutie was geleverd. Evenmin mocht van haar worden verwacht dat zij bij de inschrijver, een zittende opdrachtnemer, navraag deed naar de ppi-waarde, haar nadere documentatie vroeg of haar de gelegenheid gaf opheldering te verschaffen. Dat alles is, volgens het Hof, in strijd met het in acht te nemen transparantie- en gelijkheidsbeginsel, waarmee elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen.5
De voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (cbb) hanteert een vergelijkbare toets in een procedure naar aanleiding van concessieverlening op grond van de Wp2000. Het cbb overweegt dat wijziging van een gedane inschrijving niet is toegestaan, aangezien dat leidt tot strijd met het beginsel van gelijke behandeling en afbreuk zou doen aan de doorzichtigheid van de procedure. Een brief die slechts ter verduidelijking diende van een niet voor tweeërlei uitleg vatbare inschrijving mocht worden geaccepteerd. Ook het alsnog ondertekenen van een conceptovereenkomst is toegestaan mits deze (behoudens de alsnog geplaatste handtekeningen) identiek is aan de versie die bij de inschrijving is overgelegd. De kansen van de andere inschrijvers zijn niet beïnvloed en de mededinging is niet geschaad.6