Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.5.6
4.2.5.6 Noodzakelijke financiële correcties
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398466:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijke terugvorderingsbepaling is ook terug te vinden in de Europese subsidieregelgeving die van toepassing is op het Europees Visserijfonds en de migratiefondsen.
In die richting wijst ook artikel 101 van de Verordening nr. 1083/2006 waarin is bepaald dat een financiële correctie door de Commissie de verplichting van de lidstaat tot terugvordering van bedragen op grond van artikel 98, tweede lid, van deze verordening onverlet laat.
Zie hieromtrent paragraaf 42.52.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 11 juli 2002, C-210/00 (Kaserei Champignon Hofmeister), Jur. 2002, p. 1-6453, AB 2002, 392, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt.
Zie bijvoorbeeld artikel 49 van de Commissieverordening nr. 612/2009 en artikel 80, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009.
Zie artikel 30, eerste lid, van deze Commissieverordening.
Voor de nieuwe programmaperiode 2007-2013 geldt dat in de structuurfondsenverordening een nog meer gedetailleerde terugvorderingsverplichting is neergelegd.1 In artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006 is namelijk bepaald dat de lidstaat de financiële correcties toepast die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige of systematische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma's zijn geconstateerd. De bepaling vervolgt met de zinsnede dat de door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma. In dat kader dient de lidstaat rekening te houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de fondsen. Of het Hof van Justitie ook ten aanzien van artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006 zal bepalen dat geen sprake is van gemeenschappelijke Europese regels en de terugvordering wordt beheerst door het nationale recht, zal nadere jurisprudentie moeten uitwijzen. Mijns inziens heeft het Hof van Justitie drie mogelijkheden. Allereerst kan het Hof aansluiting zoeken bij het arrest Deutsche Milchkontor en concluderen dat artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083 /2006 niet de betrekkingen regelt tussen de nationale uitvoeringsorganen en de eindontvanger van de Europese subsidie, maar enkel ziet op de taakverdeling tussen de lidstaten en de Europese Commissie die volgt uit de artikelen 98 en 99 van voormelde verordening. Op de Europese Commissie rust ingevolge artikel 99 en verder de verplichting om financiële correcties toe te passen ten opzichte van de lidstaten. Op de lidstaten rust ingevolge artikel 98 de verplichting de financiële correcties toe te passen die noodzakelijk zijn in geval van eenmalige of systematische onregelmatigheden ten opzichte van de eindontvanger van de Europese subsidie.2 Voorts geeft de bepaling over de vraag op welke wijze de volledige of gedeeltelijke intrekking van de Europese subsidie moet geschieden, geen duidelijkheid.
Ten tweede is het mogelijk dat het Hof van Justitie oordeelt dat de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge toekomt bij de uitvoering van voormeld artikel 98, tweede lid en gelet daarop sprake is van gemeenschappelijke Europese regeling wat betreft de terugvordering van Europese subsidies. Indien sprake is van onregelmatigheden moeten zij financiële correcties toepassen die bestaan in de volledige of gedeeltelijke intrekking van de Europese subsidie. Daarbij komt dat is geregeld dat rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de fondsen. Het is dus goed mogelijk dat het Hof van Justitie tot het oordeel komt dat artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006 zich leent voor rechtstreekse toepassing door nationale uitvoeringsorganen.
Een derde mogelijkheid is dat het Hof van Justitie tot het oordeel komt dat artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083 /2006 weliswaar geen beoordelingsmarge inhoudt voor de lidstaat wat betreft de terugvordering van Europese subsidies, maar toch geen sprake is van een gemeenschappelijke Europese regeling, omdat de regeling niet uitputtend is bedoeld. In dat geval wordt aansluiting gezocht bij de redenering neergelegd in het arrest Ktinecice.3 In dat kader is relevant dat de redactie van artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006 sterk verschilt van sanctie- en terugvorderingsbepalingen die zijn neergelegd in de landbouwsubsidieverordeningen. Ten aanzien van deze bepalingen heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat sprake is van een gemeenschappelijke Europese regeling en geen ruimte bestaat voor de toepassing van nationaal recht.4 Het nationaal uitvoeringsorgaan heeft geen of vrijwel geen marge bij de beoordeling welke administratieve sanctie geldt bij welke onregelmatigheid, aan wie een sanctie moet worden opgelegd, in welke gevallen betaalde subsidiebedragen moeten worden terugbetaald door de eindontvanger van de Europese subsidies5 en wanneer van het opleggen van sancties en terugvordering kan worden afgezien. De bepalingen zijn voorts niet slechts geformuleerd als verplichting voor de lidstaat. Van een dergelijke uitputtende regeling is in de Verordening nr. 1083/ 2006 geen sprake. Zo is daarin geen uitzondering op de toepassing van financiële correcties neergelegd. Voorts schrijft de verordening geen gemeenschappelijke administratieve sancties voor, maar blijkt uit de Commissieverordening nr. 1828/2006 dat de Commissie ervan uitgaat dat nationale uitvoeringsorganen administratieve en strafrechtelijke sancties opleggen die worden gereguleerd door het nationale recht.6 Omdat geen sprake is van een uitputtend stelsel omtrent het opleggen van sancties en de terugvordering van Europese subsidies, zou het Hof van Justitie tot het oordeel kunnen komen dat ruimte bestaat voor de toepassing van nationaal recht.