Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.5.2
6.5.2 De Haviltex-maatstaf
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583402:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3667, r.o. 6.7.
Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3667, r.o. 6.8-6.9.
In de eerder gevoerde kortgedingprocedure tussen de Volksbank en de bestuurder oordeelde het hof overigens dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst, zie: Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5770).
Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3667, r.o. 6.8.
ECLI:NL:PHR:2020:698, onder 5.54. Zie verder: paragraaf 5.4.2.2.
In de kortgedingprocedure in dit geschil kwam het hof Arnhem-Leeuwarden wel tot de slotsom dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, door (sec) te toetsen of de overeenkomst voldeed aan te vereisten van art. 7:610 BW. De (sterkere) maatschappelijke positie van de bestuurder leek daarin geen rol te spelen. Daarbij past wel de kanttekening dat het erop lijkt dat partijen in de kortgedingprocedure ook minder omtrent de maatschappelijke positie van partijen hadden aangevoerd, zodat het verschil in motivering in die zin ook wel te verklaren is.
Zie uitgebreid over de rechtspositie van bestuurders: Bennaars 2015, o.a. p. 49, waarin zij stilstaat bij de wijze waarop bij de totstandkoming van de Wet op de Arbeidsovereenkomst is omgesprongen met de ‘beschermingsbehoefte’ van bestuurders.
Een heldere toepassing van de Haviltex-maatstaf in de uitlegfase was overigens ook in de andere geanalyseerde uitspraken ver te zoeken. Een uitzondering is te vinden in de (tevens hiervoor geciteerde) uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, over de vraag of de overeenkomst tussen de Volksbank en een statutair bestuurder als arbeidsovereenkomst kwalificeerde. De rechtbank overwoog in deze kwestie dat toepassing van de Haviltex-maatstaf meebrengt dat de partijbedoeling in de uitlegfase een rol kan spelen, maar dat die bedoeling vergaand gerelativeerd moet worden wanneer ‘deze vooral is ingegeven door wat de werkverschaffer, als de in economisch opzicht beduidend sterkere partij, bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond en dit niet strookt met de wijze waarop feitelijk uitvoering aan de overeenkomst is gegeven.’ In dat geval gaat namelijk ‘wezen voor schijn’ en moet ‘met het oog op het dwingendrechtelijk karakter van het arbeidsrecht en ter bescherming van de zwakkere positie van de werker, door de in het contract gekozen bewoordingen heen worden gekeken’, aldus de rechtbank.1 Een dergelijke ongelijkheid tussen partijen deed zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet voor: in dit geval was juist sprake van professionele partijen die in rechtskennis niet voor elkaar onderdeden. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat de bestuurder voorheen als partner en registeraccountant verbonden was aan een gerenommeerd accountants- en belastingadviseursbedrijf, en dat hij ervan op de hoogte was dat de Volksbank met de bestuurder een opdrachtovereenkomst aan wenste te gaan, zoals zij ook met de overige directieleden opdrachtovereenkomsten had gesloten. Ook wist de bestuurder dat het streven bestond om de Volksbank binnen afzienbare tijd terug naar de beurs te brengen, zodat het bestaan van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2:132 lid 3 BW uitgesloten zou zijn. Onder deze omstandigheden zag de rechtbank aanleiding om de overeenkomst ‘in hoge mate at face value’ te beoordelen, zonder op voorhand ‘door de tekst van hun overeenkomst heen te kijken’.2 De overeenkomst werd uitgelegd in het licht van de (gelijkwaardige) maatschappelijke positie van partijen, hetgeen tot het oordeel leidde dat de overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst kon worden gekwalificeerd, ondanks het feit dat de overeenkomst diverse ‘arbeidsovereenkomstachtige’ bepalingen bevatte.3
Interessant is dat de rechtbank in de uitlegfase niet alleen stilstond bij de Haviltex-maatstaf en (in lijn daarmee) de maatschappelijke positie van partijen, maar ook bij de ratio van artikel 7:610 BW en de beschermende doelstellingen van het arbeidsrecht. Zo werd onder meer overwogen dat het ‘contrast met ‘de onderkant van de arbeidsmarkt’, waar economische afhankelijkheid van de werker tot ongelijkheidscompensatie noopt’ in dit geval nauwelijks groter kon zijn, nu de bestuurder een cruciale functie vervulde in het hoogste leidinggevende orgaan en daarvoor bovendien een aanzienlijke beloning ontving.4 Hoewel de rechtbank het voormelde betrekt bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf in de uitlegfase, doet deze benadering sterk denken aan de ‘ratio-toets’ die A-G De Bock in haar conclusie bij het arrest X/Gemeente Amsterdam noemt. Zoals in paragraaf 5.6 is toegelicht, betoogt zij dat in de kwalificatiefase betekenis moet toekomen aan de ratio van artikel 7:610 BW, door haar geduid als 'de beschermende werking die het arbeidsrecht biedt.’5 In de Volksbank-kwestie leidde deze ‘ratio-toets’ in feite tot de conclusie dat de bestuurder vanwege zijn sterkere maatschappelijke positie geen ongelijkheidscompensatie nodig heeft.6 Zoals ook in paragraaf 5.6 is aangestipt, is het de vraag hoe een dergelijke benadering zich verhoudt tot het uitgangspunt dat een overeenkomst die aan de criteria van artikel 7:610 BW voldoet, reeds daarmee als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. De vraag of een werkende ongelijkheidscompensatie nodig zou hebben, zou er in het licht van dat uitgangspunt niet toe moeten doen.7 Tegelijkertijd sluit de benadering van de rechtbank wel aan bij de gedachte dat het arbeidsrecht de ongelijkheid tussen partijen beoogt te compenseren. Wanneer die ongelijkheid niet aanwezig is, dan zou ook – mede in het licht van hetgeen in hoofdstuk 2 is besproken – betoogd kunnen worden dat er geen ruimte bestaat voor een beperking van de partijautonomie.