Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.7.3:3.7.3 Prestatie bij gebrek in BC, terwijl AB geldig is
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.7.3
3.7.3 Prestatie bij gebrek in BC, terwijl AB geldig is
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498738:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat geldt als A op verzoek van B aan C presteert, terwijl de rechtsverhouding AB geldig is, maar een gebrek kleeft aan de rechtsverhouding BC? In de literatuur wordt over het algemeen aanvaard dat B van C terugvorderen, omdat de gebrekkige rechtsverhouding BC tussen deze twee partijen dient te worden afgewikkeld. A dient niet in deze afwikkeling te worden betrokken, omdat hij aan B is nagekomen. Hoewel de auteurs het over deze uitkomst eens zijn, verschillen hun redeneerwijzen.
Volgens de heersende leer volgt de uitkomst uit het betalingsbegrip. B gebruikt A als hulppersoon en wil zijn schuld aan C nakomen. B verricht door middel van A een Leistung, een doelgerichte vermeerdering van C’s vermogen. De bedoeling van B om BC na te komen wordt wegens het gebrek in BC niet verwezenlijkt, waardoor B’s Leistung zonder rechtsgrond is. B kan daarom de prestatie terugvorderen van C.1 A heeft slechts de bedoeling gehad om aan B na te komen, in welke bedoeling hij is geslaagd. Hij heeft daarom geen vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.
De minderheidstroming, die de vordering van B baseert op toerekening van risico’s, vindt voor de vordering van B tegen C een rechtvaardiging in de opdracht die B aan A heeft gegeven. Aangezien B zelf opdracht heeft gegeven aan A om de verschuldigde prestatie te verrichten aan C, is A jegens B nagekomen door te presteren aan C. De prestatie van A wordt daarom voor rekening van A verricht. Niet A, maar B moet zich daarom kunnen wenden tot C. De opdracht rechtvaardigt dat de verrichting van A’s prestatie wordt toegerekend aan B.2 B kan bij een gebrek BC daarom van C terugvorderen. B draagt daardoor ook het risico van insolventie van C, welk risico ook bij hem dient te liggen.3