Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.3.1
3.3.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583940:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de benadering van de Hoge Raad nr. 109 en zie verder: Bloembergen 1965, nr. 122; Van Nispen 1978 nr. 98; Lankhorst 1992a, p. 117 e.v.; Hijma in zijn NJ-annotatie bij HR 7 mei 2004,NJ 2006, 281 (Duwbak Linda), nr. 4; Spier in zijn conclusie vóór HR 10 november 2006,NJ 2008/491 m.nt. J.B.M. Vranken (Astrazaneca/Amicon), § 4.14 en in zijn conclusie vóór HR 8 oktober 2010,NJ 2011/465 m.nt. T. Hartlief (Hangmat), § 4.4.1; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 129.
Bloembergen 1965, nr. 122. Bloembergen 1993, p. 144, 145 heeft later het proefschrift van Lankhorst (1992a) ermee bekritiseerd dat het bij de toepassing van de relativiteitsleer in allerlei gevallen “helemaal niet [gaat] om interpretatie van de overtreden norm” en Lankhorst een te beperkt deel van de rechtswerkelijkheid schetst wanneer hij ervan uitgaat dat het steeds wel om interpretatie gaat. Ook Den Hollander 2016 beperkt zich tot de situaties waarin de strekking van de geschonden norm wordt verkregen door uitleg van de bedoeling van de wetgever.
Lange & Schiemann 2003, p. 101.
117. Op grond van art. 6:162 lid 1 BW is de pleger van een onrechtmatige daad alleen verplicht om de schade te vergoeden aan degene(n) jegens wie hij onrechtmatig heeft gehandeld. Art. 6:163 BW voegt daaraan toe dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Naar algemeen wordt aangenomen, wordt de strekking van de geschonden norm bepaald door interpretatie van die norm.1 In deze methode lijkt op het eerste gezicht ook de grens te liggen aan wat met de relativiteitsleer mogelijk is: aansprakelijkheid wordt begrensd met behulp van hetgeen ‘uit de norm’ kan worden gehaald. Niet alle grenzen aan aansprakelijkheid liggen echter in de geschonden gedragsnorm besloten. Bloembergen schreef in dit verband helder:
“Maar iedere interpretatie heeft haar grenzen; vroeg of laat komen wij op het punt, waarop interpretatie van de overtreden norm ons geen enkel licht kan verschaffen omtrent de vraag of de benadeelde ter zake van een bepaalde schade een vordering uit art. 1401 [oud] BW heeft. En als wij in zo’n geval dan toch zeggen, dat uit de strekking van de overtreden norm volgt, dat aan de benadeelde wel of niet een vordering toekomt, dan kan men zulks moeilijk anders dan tovenarij noemen. De beslissing is dan immers in werkelijkheid niet genomen op grond van een door middel van interpretatie blootgelegde strekking van de norm.”2
Deze opvatting over de grens aan de mogelijkheden van de relativiteitsleer spreekt mij aan. Zij sluit echter niet aan bij wat (inmiddels) in werkelijkheid bij de toetsing aan het relativiteitsvereiste gebeurt. Dat zal ik in het navolgende verder bespreken.
118. Uit de norm, het gedragsvoorschrift, zélf volgt in het algemeen betrekkelijk weinig over de strekking ervan. Men interpreteert de geschonden norm daarom niet in het luchtledige, maar steeds in een zekere context. Wanneer bijvoorbeeld sprake is van een wettelijke verplichting, interpreteert men de norm tegen de achtergrond van de wet waar de norm onderdeel van is. Men kijkt dan ook naar de bedoeling van de wetgever. Voor de hand ligt om aan die bedoeling een redelijke uitleg te geven. Deze uitleg behoeft niet te worden gebaseerd op hetgeen bekend is over de subjectieve bedoeling van de wetgever, maar kan worden geobjectiveerd: wat zou een redelijke wetgever bedoeld hebben? Op die manier is het mogelijk om bij de bepaling van de strekking van een norm, de redelijkheid beslissend te laten zijn. Wat men met het interpreteren van een geschonden norm kan, hangt vooral ervan af hoe ruim de context gekozen wordt waarin de norm wordt geïnterpreteerd.
Verhelderend is hoe volgens Lange en Schiemann het beschermingsbereik van een norm volgens de Duitse Schutzzwecklehre wordt bepaald: “Es wird nicht nur aus der einzelnen Norm und aus der jeweiligen vertraglichen oder gesetzlichen Verhaltenspflicht argumentiert, sondern auch einen Aufstellung allgemeiner Regeln gefordert, die aus dem Sinn und Zweck einer Gruppe von Haftungsnormen, auf im Haftungsrecht verankerten funktionalen Zusammenhangen, aus dem Gedanken einer gerechten Risikoverteilung oder dem Sinn und Zweck der Schadensersatzpflicht überhaupt zu gewinnen sind.”3
119. In het navolgende zal ik laten zien in welke gevallen de strekking van een geschonden norm wordt bepaald aan de hand van andere factoren dan een gebleken met de norm beoogde bescherming. Ik vang aan met een bespreking van diverse grenzen aan aansprakelijkheid die niet volgen uit een gebleken bedoeling met de geschonden norm, maar die niettemin in het relativiteitsvereiste tot uitdrukking worden gebracht (§ 3.3.2). Daarna behandel ik de situaties waarin onduidelijk is of beoogd is om degene te beschermen die ten gevolge van de schending van een norm schade heeft geleden, en daarom op een andere manier dan door de vaststelling van het beschermingsdoel moet worden bepaald of jegens diegene onrechtmatig is gehandeld (§ 3.3.3). Vervolgens bespreek ik de situaties waarin de strekking van de geschonden norm ruimer wordt uitgelegd dan de met deze norm beoogde bescherming teneinde een onredelijk scherpe begrenzing van aansprakelijkheid te voorkomen (§ 3.3.4). Tot besluit geef ik een nadere analyse en samenvatting (§ 3.3.5).