Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/19.4.3.2
19.4.3.2 Twee in de literatuur onderscheiden feitelijke grondslagen en het gevolg voor het csqn-vereiste
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS576696:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pijls (2009a), p. 185.
Vgl. Pijls/Vletter-van Dort (2008), p. 367-368, Pijls (2009a), p. 185-188 en Pijls (2009c), p. 133 e.v. Ook B.J. de Jong (2008), p. 139-140 noemt twee varianten, maar gaat uit van twee categorieën beleggers.
Pijls (2009a), p. 185-186. B.J. De Jong (2008), p. 139-140, voegt daaraan toe: 'zij zouden de effecten ook zonder de misleiding hebben gekocht, doch tegen een lagere prijs.'
Pijls (2009a), p. 186.
In deze zin: B.J. de Jong (2008), p. 140, die daaraan toevoegt 'of stellen dat dit zeer wel denkbaar was geweest, maar dit niet meer met zekerheid te achterhalen is.' De tweede grondslag die Pijls (2009, p. 186) onderscheidt is, als ik het goed zie, in materieel opzicht gelijkluidend ('zij [zouden] hun aandeel (...) niet hebben gekocht wanneer het prospectus niet misleidend was geweest. Zij zijn teleurgesteld in hun investering als zodanig en zij zouden hun gehele aankoopbedrag liever voor een andere belegging hebben aangewend'). Verwarrend vind ik echter de door Pijls geplaatste opmerking die daaraan vooraf gaat. Hij schrijft dat 'de[ze] beleggers wel stellen (direct of indirect) op het misleidende prospectus te zijn afgegaan.' Dat is mijns inziens niet nodig, Ook een investeerder die claimt bij afwezigheid van misleidendheid van het prospectus niet tot deze aankoop te zijn overgegaan, kan die stelling op 'de zuiverheid' van de beurskoers of 'positieve marktstemming' baseren. Ik kom hierop verderop in deze paragraaf terug (zie voetnoot 143).
Zij hoeven daar niet (direct of indirect) op af te zijn gegaan, aldus Pijls (2009a), p. 186. Evenzo: Pijls (2009c), p. 133-134 en B.J. de Jong (2008), p. 139-140.
Waarbij vervolgens een strenge danwel meer soepele maatstaf kan worden aangelegd om te bepalen wanneer gesproken kan worden van afgaan op een misleidend prospectus. Zie Pijls (2009a), p. 187.
Vgl. bijvb. K. Raaijmakers (2008), p. 70 e.v. en — met enige kanttekeningen daarbij — B.J. de Jong (2008), p. 139-140.
Voor ogen moet worden gehouden, hetgeen met name Pijls onder de aandacht is gebracht, dat het causaal verband niet bestaat: "[h]et causaal verband krijgt pas vorm en inhoud wanneer het is gekoppeld aan een bepaalde vorderingsgrondslag."1 Daarbij wordt in de literatuur voor schadevergoedingsacties uit hoofde van prospectusaansprakelijkheid doorgaans een tweetal feitelijke grondslagen onderscheiden.2 Als eerste de stelling van investeerders dat zij schade hebben geleden omdat zij als gevolg van het misleidende prospectus effecten hebben gekocht tegen een te hoge prijs.3 In dat geval betogen investeerders, aldus Pijls, "als gevolg van een door het misleidende prospectus veroorzaakt (te) positief sentiment een te hoog bedrag voor hun aandeel hebben neergelegd. Strikt genomen leggen deze beleggers dus niet aan hun vordering ten grondslag door het prospectus te zijn misleid. Zij stellen slechts tegen een onzuivere koers hun aandelen te hebben aangekocht."4 Een tweede grondslag is de stelling van investeerders dat zij "effecten zonder de misleidende informatie niet zouden hebben gekocht".5 In de literatuur wordt het aan het uiteenlopen van deze twee grondslagen voor prospectusaansprakelijkheid het gevolg verbonden dat ook het csqn-vereiste verschillend moet worden ingevuld. Bij de eerste grondslag zou voor aanname van het csqn-verband voldoende moeten zijn dat investeerders hebben vertrouwd op de zuiverheid of integriteit van de door het prospectus beïnvloede beurskoers op de effectenmarkt op het moment van aankopen.6 Bij de tweede grondslag zou het csqn-vereiste er uit moeten bestaan dat investeerders daadwerkelijk (in meer of minder directe mate) zijn afgegaan op het misleidende prospectus.7 Omdat in (met name) dat laatste geval voor investeerders bewijsproblemen kunnen bestaan, wordt in die situatie ook wel voorgesteld om investeerders processueel tegemoet te komen.8