Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/601
Bewijsuitsluiting wegens ontbreken van mogelijkheid van contra-expertise niet zonder meer begrijpelijk.
HR 04-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:803
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
4 juni 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, T. Kooijmans
- Zaaknummer
19/04630
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:803, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑06‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:455, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑01‑2024
ECLI:NL:HR:2021:161, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑02‑2021
ECLI:NL:PHR:2020:1007, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑11‑2020
- Wetingang
Essentie
Bewijsuitsluiting wegens ontbreken van mogelijkheid van contra-expertise is niet zonder meer begrijpelijk.
Samenvatting
Dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal in het ongerede is geraakt, brengt niet mee dat de verkrijging van dit bewijsmateriaal als ‘resultaat’ van dat in het ongerede raken als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering in de weg staat is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer i) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.