Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.4
4.3.3.4.4 Factor 3: Duur van de aantasting van het door het EVRM beschermde belang
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446278:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Onder een ‘langdurige aantasting’ versta ik hier niet alleen onafgebroken aantastingen die langdurig zijn, maar ook aantastingen die zich over een langere periode niet onafgebroken maar wel herhaaldelijk voordoen.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 16 november 2004, Moreno Gómez/Spanje, r.o. 60 (zaaknr. 4143/02); EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië, r.o. 64-65 (zaaknr. 61260/08); EHRM 9 november 2010, Deés/Hongarije, r.o. 23 (zaaknr. 2345/06); EHRM 18 oktober 2011, Martínez Martínez/Spanje, r.o. 53-54 (zaaknr. 21532/08); EHRM 18 juni 2013, Bor/Hongarije, r.o. 26-27 (zaaknr. 50474/08).
Zie EHRM 10 januari 2012, Di Sarno e.a./Italië, r.o. 108 en 112 (zaaknr. 30765/08).
Bij de beoordeling van de vraag of de overheid de positieve verplichting heeft om een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van een door artikel 8evrm beschermd belang lijkt de duur van die aantasting een rol te spelen. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat het ehrm meer dan eens belang toekent aan de omstandigheid dat de aantasting langdurig was.1 In dit verband kan vooral gewezen worden op arresten over herhaaldelijke geluidsoverlast over een periode van meerdere jaren.2 Deze arresten impliceren mijns inziens overigens niet dat een aantasting meerdere jaren geduurd moet hebben, voordat de overheid verplicht is een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van die aantasting. Zo nam het ehrm bijvoorbeeld in het arrest-Di Sarno/Italië (veronderstellenderwijs) aan dat de periode waarin afval op de openbare weg werd achtergelaten en zich daar opstapelde ‘slechts’ vijf maanden (van eind 2007 tot mei 2008) had geduurd, maar stelde het toch een schending van de positieve verplichting onder artikel 8 evrm vast.3
Dat de duur van de aantasting een rol speelt bij het antwoord op de vraag of de overheid verplicht is om een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van een door artikel 8evrm beschermd belang ligt op zich voor de hand. Het leven in een moderne en geïndustrialiseerde samenleving brengt immers zo nu en dan overlast met zich. Het lijkt dan ook niet gerechtvaardigd op de overheid de positieve verplichting te leggen bij elke kortstondige aantasting in de vorm van hinder (bijvoorbeeld geluidhinder of stankoverlast) onmiddellijk concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van die aantasting. Hoe lang een aantasting moet duren voordat die verplichting wel bestaat, is echter niet in algemene zin te zeggen. Het lijkt mij dat bij aantastingen in de vorm van hinder veel afhangt van de ernst van de hinder. Bij heel ernstige hinder zou een duur van een dag of enkele dagen voldoende kunnen zijn, terwijl bij minder ernstige hinder de positieve verplichting pas bestaat bij een duur van enkele weken of maanden. Hoewel het, zoals gezegd, voor de hand ligt dat de duur van de aantasting een rol speelt bij het antwoord op de vraag of een positieve verplichting tot beëindiging op de overheid rust, valt het op dat die duur in de rechtspraak van het ehrm niet alleen een rol speelt bij de ‘fair balance’-toetsing, maar ook reeds voordien bij het beantwoorden van de vraag of artikel 8 evrm gelet op het vereiste ‘minimum level of severity’ überhaupt van toepassing is.4 Indien de duur van de aantasting reeds een rol speelt bij de beoordeling of artikel 8 evrm van toepassing is, lijkt het niet nodig dat daaraan ook nog belang toekomt bij de ‘fair balance’-toetsing. Als de duur immers lang genoeg is om te voldoen aan het ‘minimum level of severity’, dan lijkt het niet erg aannemelijk dat die duur bij de ‘fair balance’- toetsing te kort is om een positieve verplichting tot het verrichten van concrete handelingen aan te nemen.
Voor artikel 1ep geldt mijns inziens ook dat de duur van de aantasting een rol speelt bij het antwoord op de vraag of de overheid verplicht is om een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van het eigendomsbelang. Net als bij artikel 8evrm geldt ook hier immers dat het leven in een moderne en geïndustrialiseerde samenleving overlast met zich brengt. Naar mijn oordeel rust op de overheid daarom niet de positieve verplichting om bij elke kortstondige waardedaling of gebruiksbelemmering concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van die aantasting.
Concrete handelingen ter beëindiging van levensbedreigende ziekte of verwonding in omgevingsgerelateerde situaties bestaan, zoals in paragraaf 4.3.2.2 opgemerkt, uit het verlenen van noodhulp. De duur van de aantasting van het door artikel 2evrm beschermde belang (dat wil zeggen: de duur van de levensbedreigende ziekte of verwoning) kan geen rol spelen bij het antwoord op de vraag of de overheid die noodhulp moet verlenen. Noodhulp moet immers naar haar aard zo snel mogelijk geboden worden.