Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.3.3
2.2.3.3 Gevaarlijke middelen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715513:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smith 2003, p. 202 en 203. Sikkema meent echter dat de gedraging ook kan worden ingelezen in het woordje ‘voorbereiding’ in artikel 46 Sr, dat hij daarmee – anders dan de wettekst op het eerste gezicht doet vermoeden – min of meer tot bestanddeel verheft. Er moet in deze visie wel sprake zijn van iets dat als voorbereiding kan worden gekwalificeerd. Het enkele verrichten van een van de genoemde gedragingen met een van de genoemde middelen volstaat daar dan niet altijd voor (Sikkema 2012, p. 45-47). Zie ook: Keulen 2009a, p. 49.
Smith 2011, p. 830. Zie ook: Sikkema 2012, p. 35. Vgl. De Jong 1989b, p. 177. De Hoge Raad meent daarentegen dat het misdadige doel van de dader wel mag worden meegewogen, zodat ook een doorsnee mobiele telefoon en een neutrale auto voorbereidingsmiddelen voor een overval kunnen worden (HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1380, r.o. 3.4; HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0535 (Ford Transit), r.o. 3.7).
Sikkema meent dat Rozemond de drie vereisten bijvoorbeeld ook als cumulatief ziet (Sikkema 2012, p. 40). Keulen beschouwt de criteria daarentegen als alternatief (Keulen 2009a, p. 50-51).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 65; Verbruggen 2004, p. 159; Prakken & Roef 2004, p. 241; Fletcher 2000, p. 200-201.
Sorell 2017, p. 712.
Smith 2003, p. 209.
Sorell 2017, p. 712.
Cornford 2015, p. 25-26; Simester & Von Hirsch 2011, p. 58 en 83.
Cornford 2015, p. 14. Dat geldt zelfs voor het bezwaar dat een vuurwapen per ongeluk af kan gaan (Simester & Von Hirsch 2011, p. 65). Vgl. Sackers 2011, p. 468.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 83; Buruma 2006, p. 817; Verbruggen 2004, p. 159.
Een positiefrechtelijk aanknopingspunt voor de idee dat een voorbereidingsmiddel objectief gezien gevaar moet veroorzaken, is te vinden in het bestemdheidscriterium in artikel 46 Sr.1 Dat criterium moet dan zo worden begrepen dat de bestemming van het middel objectief moet blijken uit het middel zelf, los van de intentie die de dader met het middel had.2 De objectieve omstandigheden waaronder het middel wordt gebruikt of bewaard kunnen daarin wel meewegen. Dat de Hoge Raad momenteel, naast de (objectieve) uiterlijke verschijningsvorm van het middel en het gebruik van het middel, ook het (subjectieve) misdadige doel dat de verdachte met het middel voor ogen had meeweegt, hoeft overigens ook niet problematisch te zijn, zolang beide vereisten geen communicerende vaten zijn, maar cumulatief gelden en dus ieder een zelfstandige functie hebben in het inperken van aansprakelijkheid.3
Het bestemdheidscriterium vereist dan dat het bij voorbereidingsmiddelen moet gaan om middelen die naar hun aard objectief gevaarlijk zijn. Bepaalde middelen – denk aan radioactief materiaal, explosieven, chemische stoffen – zijn immers, los van de intentie van de bezitter, naar hun aard dermate gevaarlijk dat kan worden volgehouden dat zelfs in een liberale samenleving het ongecontroleerde bezit daarvan aan banden moet kunnen worden gelegd, zodat daar geen ongelukken mee gebeuren en zij niet per ongeluk in verkeerde handen vallen, zoals die van kinderen.4 Bepaalde chemicaliën kunnen bijvoorbeeld instabiel zijn en buiten de macht van de maker om ontploffen.5 Van dergelijke middelen gaat volgens Smith op zichzelf reeds voldoende gevaar om het bezit ervan onder bepaalde omstandigheden strafbaar te stellen.6 Reeds naar de aard van het middel op zichzelf zijn dan immers al schadelijke gevolgen voorzienbaar, zodat in het verlengde daarvan ook het bezit ervan als gevaarlijk kan worden gekwalificeerd.7 Betoogd zou kunnen worden dat het gevaar dat van het middel uitgaat niet opweegt tegen het belang van de vrijheid van burgers om die middelen ongecontroleerd te bezitten.
Het voorgaande schetst een (zeer beperkte) grondslag om het bezit van bepaalde objectief gevaarlijke middelen strafrechtelijk aan te pakken. Zoals gezegd is gevaar een gradueel vaag begrip. Er moet vanuit liberaal oogpunt echter niet te gemakkelijk over het gevaarscriterium worden gestapt. Bij het bezit van nucleaire of chemische stoffen zal dat gevaar door weinigen worden betwist, maar het bezit van bepaalde messen en vuurwapens is vanuit liberaal oogpunt al een serieus punt van discussie.8 Bij dergelijke voorwerpen rijst al snel het bezwaar dat een vuurwapen weliswaar de kans op schadelijke gevolgen vergroot, maar dat die schade nooit wordt veroorzaakt door het enkele bezit, zodat niet het bezit, maar enkel het gebruik van het wapen een gedraging kan zijn in de zin van het daadstrafrechtbeginsel.9 Wil een middel onder deze eerste categorie vallen, dan zal het gevaar los van verdere (bewuste) gedragingen moeten bestaan. De grote vraag is hoe groot het gevaar moet zijn om ook de strafbaarstelling te rechtvaardigen van het bezit van middelen waarbij nog een nadere handeling nodig is om gevaar in het leven te roepen. Vrijwel ieder middel is immers potentieel gevaarlijk, of het nu gaat om een auto, kunstmest, spijkers, een pen of een broodmes.10 Vanuit liberaal oogpunt moet worden voorkomen dat het bezit van dergelijke middelen, die een (legaal) nut hebben in het dagelijks leven, te gemakkelijk strafbaar wordt gesteld.