De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.12:I.3.12 De bekrachtiging, bekendmaking en inwerkingtreding
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.12
I.3.12 De bekrachtiging, bekendmaking en inwerkingtreding
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284962:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit standpunt is verdedigd door Koekkoek, zie: Koekkoek, AA 1984, p.169.
Wet van 1 november 2017, Stb. 2017, 426 (publicatiedatum: 17 november 2017). De geconsolideerde versie is niet direct gepubliceerd; dat gebeurde pas in 2019, zie: Besluit van 16 januari 2019, Stb. 2019 33 (publicatiedatum: 8 februari 2019).
Wet van 26 november 2018, Stb. 2018, 493 (publicatiedatum: 21 december 2018). Zie voor de geconsolideerde versie: Besluit van 16 januari 2019, Stb. 2019 33 (publicatiedatum: 8 februari 2019).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook voor een wijzigingsvoorstel in tweede lezing geldt dat de regering het moet bekrachtigen.1 In de praktijk heeft de regering nog nooit afgezien van de bekrachtiging van een voorstel tot verandering in tweede lezing. Over de bekendmaking valt meer te zeggen. Daarvoor gelden twee bepalingen, namelijk de artikelen 139 en 141 Gw. Artikel 139 eist dat een grondwetsherziening wordt bekendgemaakt, wil die herziening in werking kunnen treden. Inwerkingtreding vindt terstond plaats. Onduidelijk is overigens wat ‘terstond’ in deze betekent. Is dat de dag na publicatie2 of op het moment van publicatie zelf). Ik pleit voor het tweede, gelet op de gebruikelijke betekenis van het woord ‘terstond’. De publicatie vindt altijd plaats in het Staatsblad in het kader van artikel 3 van de Bekendmakingswet. Artikel 141 Gw eist echter het volgende:
‘De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.’
Dit zou de vraag kunnen opwerpen wanneer een grondwetsherziening daadwerkelijk in werking treedt, daar de Grondwet een bekendmaking eist van een geconsolideerde versie bij koninklijk besluit. Veelal vindt de bekendmaking in het licht van artikel 141 Gw veel later plaats dan die in het Staatsblad. Bij de grondwetsherziening van 20173 en 20184 vond de geconsolideerde bekendmaking bijvoorbeeld veel later plaats dan de publicatie in het Staatsblad. Dit punt is onduidelijk en zou ten minste verhelderd moeten worden, bijvoorbeeld door expliciet in de Grondwet op te nemen dat de eerste publicatie in het Staatsblad beslissend is voor de inwerkingtreding. Aangezien het hier niet om een majeur punt gaat, laat ik dit buiten mijn probleemanalyse in hoofdstuk 5.
Bovendien veranderde de bepaling omtrent de bekendmaking van een grondwetsherziening. Voorheen schreef artikel 212 Gw (1972) de plechtige afkondiging voor.5 In de praktijk betekende dit dat de tekst van de grondwetsherziening vanaf gemeentehuizen werd voorgelezen. De grondwetgever van 1983 liet deze eis varen, aangezien daar volgens de regering geen behoefte meer aan was.6