Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.2.1.1
4.2.1.1 Strafbepalingen in de materiële belastingwetten
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285555:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Vide: MvA, Kamerstukken II 1871/72, 41, nr. 5 blz. 1182. Vergelijk: bij de invoering van de SW 1859 werd een strafbepaling evenmin noodzakelijk geacht (VV, Kamerstukken II 1857/58, XVI, nr. 3, blz. 266 en MvA, Kamerstukken II 1857/58, XVI, nr. 4, blz. 354).
Art. 43 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 2.
Art. 47 Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 8. Anders: bij art. 130 Ontwerp van wet IB 1908 werd, onder verwijzing naar art. 272 Sr, juist voorgesteld de strafbepaling grotendeels te schrappen (VV, Kamerstukken II 1907/08, 98, nr. 7 blz. 84). Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22.
Vide: Appendix B. Zie ook: Rahder 1892, blz. 260, Van Walsum 1900, blz. 326 e.v., nr. 494 t/m nr. 496. In het Ontwerp van wet tot vaststelling van algemene bepalingen omtrent de bestraffing van schending van geheimen, Kamerstukken II 1952/53, 3030, nr. 2 werd voorgesteld om de strafbepalingen uit art. 52 Wet VB 1892 te schrappen. Dit wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Justitie van 4 april 1966, Kamerstukken I 1965/66, 3030, nr. 136.
Art. 47, tweede lid, Wet op de BB 1893. Zie uitgebreider: art. 41, tweede, derde en vierde lid, Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2, VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 60 en MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 92. Vergelijk: in art. 50 Ontwerp van wet (Wet BHD 1916), Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 2 werd de strafbepaling weer wel opgenomen in de geheimhoudingsbepaling. Dit wetsvoorstel werd ingetrokken bij (ongedateerde) brief Minister van Financiën, Kamerstukken II 1918/19, 82, nr. 1.
Art. 115 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 2. In de MvT wordt in het geheel niet ingegaan op de strafbepaling (MvT, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 3).
Sinninghe Damsté 1931, blz. 518. Hij schreef dat niet altijd gezegd kan worden dat niet-ambtelijke deskundigen uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn.
Zie: Appendix B. Art. 48 Wet PB 1950 is anders geredigeerd. De maximumstraffen werden in deze periode tweemaal aangepast. Vanaf de Wet VAB 1946 werden de geldboeten – uitgezonderd de Wet op de Dividendbeperking 1950 – verhoogd naar respectievelijk 1.000 en 500 gulden. In de Wet VFN werden de maximumstraffen verhoogd naar respectievelijk één jaar gevangenisstraf en zes maanden hechtenis. Gezien de verdubbeling van de gevangenisstraf en de hechtenis werd in de memorie van toelichting ten onrechte gesteld dat de strafbaarstelling van art. 11 Wet VFN overeenkwam met de bestaande belastingwetten en geen nadere toelichting behoefde (MvT, Kamerstukken II 1950/51, 1957, nr. 3, blz. 6).
Art. 18 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 2. Vernummerd naar art. 17 bij Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 211, nr. 7.
Art. 83 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1948, 915, nr. 2. Dit behoefde volgens de memorie van toelichting geen nadere toelichting (MvT, Kamerstukken II 1948, 915, nr. 3, blz. 30). Onder verwijzing naar het wetsvoorstel tot wijziging van art. 272 Sr kwam art. 83 weer te vervallen (MvA, Kamerstukken II 1953/54, 915, nr. 5, blz. 25).
Met betrekking tot art. 11 Wet VFN merkt Kamerlid C. van den Heuvel op dat het verschil in bestraffing met overtredingen van belastingplichtigen wel erg groot is. Naar zijn mening hoort de strafmaat hetzelfde te zijn (Handelingen II 1951/52, blz. 1939).
VV, Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 5, blz. 27 en MvA, Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 6, blz. 34-35.
VV, Kamerstukken II 1949/50, 1403, nr. 6, blz. 30 en MvA, Kamerstukken II 1949/50, 1403, nr. 7, blz. 50.
Bij de parlementaire behandeling in 1872 van een van de wetsvoorstellen die voorafging aan de Wet VB 1892 werd de opgelegde plicht van geheimhouding niet versterkt door een strafbepaling, maar werd deze gewaarborgd door een af te leggen eed.1 In het ontwerp van wet VB 1892 werd nog expliciet naar het in 1881 ingevoerde art. 272 Sr verwezen.2 Na kritiek vanuit de Tweede Kamer werden de strafbepalingen alsnog in de belastingwet zelf opgenomen.3 Anders dan art. 272 Sr – waarin uitsluitend het opzettelijk schenden van de geheimhoudingsverplichting strafbaar was gesteld – werd in art. 47 Wet VB 1892 zowel de opzettelijke als de culpoze schending van de geheimhouding strafbaar gesteld.4 Een jaar later werd dezelfde strafbepaling opgenomen in de Wet op de BB 1893. Anders dan de Wet VB 1892 werden de strafbepalingen niet meer opgenomen in het geheimhoudingsartikel, maar overgeheveld naar de overige strafbepalingen.5 Ook in art. 120 Wet IB 1914 werd dezelfde strafbepaling opgenomen met dien verstande dat de mogelijkheid om te worden ontzet van het recht om een ambt te bekleden zonder nadere toelichting kwam te vervallen.6 Als extra argument voor het opnemen van de strafbepaling noemt Sinninghe Damsté dat de niet-ambtelijke deskundigen (de tweede categorie van onderworpen subjecten) niet per definitie zouden vallen onder art. 272 Sr.7
In het gehele pre-AWR-tijdperk werd vervolgens, bij elke belastingwet met een geheimhoudingsbepaling, een met art. 120 Wet IB 1914 overeenkomende strafbepaling opgenomen.8 Hierop zijn twee uitzonderingen; in de RW 1917 ontbreekt, zonder dat de reden hiervoor is toegelicht in de parlementaire geschiedenis, een strafbepaling op schending van de geheimhoudingsbepaling van art. 17 RW 1917.9 Hoewel in het Ontwerp van de SW 1956 de strafbepaling nog voorkwam werd deze, onder verwijzing naar art. 272 Sr, uiteindelijk niet opgenomen.10 In de Tweede Kamer is enkele malen aan de orde gekomen of de straf op het opzettelijk schenden van de geheimhoudingsplicht – gezien de hoge straffen bij overtredingen door belastingplichtigen – verhoudingsgewijs niet te laag was.11 Minister Van Gijn stelde bij de parlementaire behandeling van de OWB 1916 dat verzwaring van de straf overbodig was aangezien ambtenaren der belastingen zich hieraan niet schuldig plegen te maken.12 Minister Lieftink verwees bij de behandeling van de Wet PB 1950 naar het Wetboek van Strafrecht waar de maximumstraf voor schending van de geheimhouding veel geringer was dan voor vermogensdelicten als diefstal en oplichting.13