Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.2.c
3.2.c Beperkingssystematiek
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608323:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Strikt genomen gaat het hier niet om de rechtvaardiging van een inbreuk, maar om de vaststelling van een inbreuk op zich. Dit theoretische verschil is ook bij een aantal andere mensenrechten niet helder in de tekst aanwezig, zie nader Senden 2011, p. 7-8; Gerards 2011, p. 13-16 en Goss 2014, p. 116-118.
Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (23 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.964, p. 272; zie in die bewoordingen ook Eindrapport Derde Commissie (3 december 1959), UN Doc A/4299, p. 16.
Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (24 november 1959), UN Doc A/C.3/ SR.966, p. 280.
Aldus voor het eerst in CRM 24 maart 1982, nr. 64/1979 (Consuelo Salgar de Montejo/ Colombia); zie ook General Comment 2007/32, onderdeel 45.
Zie iets anders: De Hullu 1989, soms voorzichtig soms stelliger op p. 141, 147, 151 en 161-162.
Vgl. in deze zin Nowak 2005, p. 350-351.
CRM 5 november 2004, nr. 1073/2002 (Terrón/Spanje); zie ook CRM 30 maart 2005, nr. 973/2001 (Khalilov/Tajikistan); CRM 11 juli 2006, nr. 1211/2003 (Oliveró Capellades/Spanje); CRM 25 maart 2008, nr. 1351-1352/2005 (Hens Serena & Corujo Rodríguez/Spanje).
CRM 22 juli 2005, nr. 1095/2002 (Gomaríz Valera/Spanje); CRM 31 oktober 2006, nr. 1332/2004 (García Sánchez & González Clares/Spanje).
Zie verder paragraaf 8 en 10.
Zie paragraaf 4.
Zo ook De Hullu 1989, p. 151 (voorzichtig); Krabbe 2004, p. 189; vgl. meer algemeen Gerards 2011, p. 110; een aanwijzing hiervoor is voorts EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96 (Krombach/Frankrijk).
Zie paragraaf 8.
Zie ECRM 18 oktober 1995 (ontv.), nr. 24208/94 (Demel/Oostenrijk); ECRM 15 mei 1996 (ontv.), nr. 28140/95 (Altieri/Frankrijk e.a.); ECRM 1 juni 1998 (ontv.), nr. 37553/97 (Olsson/Noorwegen); ECRM 21 oktober 1998 (ontv.), nr. 37604/97 (Sjöö/Zweden); EHRM 29 juni 2000 (ontv.), nr. 32092/96 (Poulsen/Denemarken).
EHRM 18 januari 2000 (ontv.), nr. 27618/95 & 27619/95 (Pesti & Frodl/Oostenrijk); EHRM 23 oktober 2001 (ontv.), nr. 42780/98 (I.H., Me.H., R.H. & Mu.H./Oostenrijk); EHRM 9 juli 2002 (ontv.), nr. 70883/01 (Hannak/Oostenrijk); EHRM 5 oktober 2006, nr. 12555/03 (Müller/Oostenrijk); EHRM 7 december 2006, nr. 37301/03 (Hauser-Sporn/Oostenrijk).
Zo ook Krabbe 2004, p. 191; Trechsel 2005, p. 365-366; zie aldus ook ECRM 9 september 1992 (ontv.), nr. 19028/91 (Nielsen/Denemarken) en ECRM 26 oktober 1995 (ontv.), nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen), waarin het overweegt: “Whereas the second sentence of Article 2 para. 1 of Protocol No. 7 requires that the exercise of the right to a review by a higher tribunal shall be governed by law, the Article does not specify its scope or actual implementation.”
CRM 6 november 2003, nr. 1096/2002 (Kurbanov/Tajikistan).
Aall 2010, p. 315-316; Marshall 2011, p. 21 en 26.
Zie CRM 30 oktober 2000, nr. 948/2000 (Devgan/Canada); CRM 25 maart 2003, nr. 1004/ 2001 (Pasqual Estevill/Spanje).
EHRM 29 april 2014, nr. 9043/05 (Natsvlishvili & Togonidze/Georgië); de geïmpliceerde afstand was in de wet geregeld, terwijl de verdachte door een advocaat werd bijgestaan. Een schending werd evenwel vastgesteld in EHRM 25 juli 2017, nr. 2728/16 (Rostovtsev/Oekraïne).
EHRM 4 juni 2015, nr. 5425/11 (Rulsan Yakovenko/Oekraïne).
CRM 12 juli 1996, nr. 480/1991 (Garcia Fuenzalida/Ecuador).
Zie voor die vraag ook de conclusie(s) van A-G Vegter voor HR 11 september 2012 ECLI:BX4467 en ECLI:BX4472, onderdeel 4.20.
Goss 2014, p. 124 e.v.
Zie voorbeelden in CRM 29 oktober 1999, nr. 789/1997 (Bryhn/Noorwegen); CRM 16 oktober 2014, nr. 2004/2010 (H.K./Noorwegen).
Artikel 14 lid 5 IVBPR bevat geen expliciete beperkingsclausule. Toch kan de bepaling op twee manieren tot op zekere hoogte flexibel worden toegepast. Ten eerste is terughoudende of flexibele uitleg van de hoofdbestanddelen van die bepaling mogelijk.1 Een beperkte of casuïstische uitleg van het woord crime zou bijvoorbeeld de uitsluiting van het recht op beroep voor overtredingen kunnen rechtvaardigen – dit komt in paragraaf 4c aan bod.
Een tweede mogelijkheid tot beperking van artikel 14 lid 5 IVBPR is gezocht in de woorden according to law in de verdragstekst. De afgevaardigde van Ceylon opperde toevoeging van deze zinsnede in de vergaderingen over het vijfde lid zodat “due regard would then be paid to the conditions to which the right of appeal was generally made subject, in order to prevent abuses. […]. Article 14 should simply state the principle of double jurisdiction, leaving its implementation to the States.”2 De door Israël oorspronkelijk voorgestelde clausule voor petty offences kon daardoor volgens hem vervallen. Dat is een opvallende conclusie, want het instellen van beroep tegen bagatellen kan toch nauwelijks misbruik van beroep (abuses) worden genoemd, terwijl de afgevaardigde met zijn tekstvoorstel preventie van dergelijk misbruik mogelijk wilde maken. Wellicht is het deze tegenstrijdigheid die de Britse afgevaardigde deed opmerken dat “those exceptions [bagateldrempel en beperking tot strafmaatappel, GP] could only be covered in the new text by the phrase ‘according to law’, and that seemed too heavy a burden for the phrase to bear; moreover, if they could cover those exceptions, they could cover anything and the paragraph would be valueless.”3 Als de oorspronkelijk voorgestelde exceptie voor petty offences zou vervallen en daarvoor de clausule according to law in de plaats zou komen – wat uiteindelijk is gebeurd – zou het belang van het recht op beroep volgens de Britse afgevaardigde dus kunnen afnemen.
Het CRM is deels aan het Britse bewaar tegemoetgekomen toen het oordeelde dat de woorden according to law een beperkte betekenis hebben. De zinsnede is niet bedoeld “to leave the very existence of the right of review to the discretion of the States parties […]. The term according to law rather relates to the determination of the modalities by which the review by a higher tribunal is to be carried out, as well as which court is responsible for carrying out a review in accordance with the Covenant.”4 Ik lees hierin dat dat beperking van de reikwijdte van het recht op beroep, bijvoorbeeld voor bagatellen, niet op grond van de woorden according to law is toegelaten.5 Die woorden impliceren dat beroep niet voor bepaalde soorten zaken of uitspraken mag worden uitgesloten, zij het dat de vormgeving van het rechtsmiddel door staten tot op zekere hoogte zelf mag worden bepaald.6 Een indicatie voor deze conclusie is dat de uitsluiting van het recht op beroep bij de berechting van hoge ambtsdragers door het hoogste gerecht (forum privilegiatum) niet op de zinsnede according to law kan berusten, aldus het CRM,7 en dat ook andere zaken waarin het genoemde citaat voorkomt, zien op het volstrekt ontbreken van een beroeps- mogelijkheid.8 De vervolgvraag, namelijk wat de grenzen van het begrip modaliteiten zijn, heeft het Comité niet in algemene zin beantwoord.9
Voor beperking van artikel 2P7 EVRM bestaat op het eerste gezicht meer ruimte. Het tweede lid van die bepaling geeft aan staten drie mogelijkheden om een uitzondering te maken op de reikwijdte van het recht op beroep zoals bedoeld in het eerste lid. Beroep mag worden uitgesloten bij bagatelfeiten, zaken die in eerste instantie zijn berecht door het hoogste gerecht, en zaken waarin een veroordeling eerst in beroep tot stand is gekomen na vrijspraak in eerste aanleg.10 Gelet op het expliciet beperkende karakter van het tweede lid is het aannemelijk dat de opsomming van beperkingsgevallen limitatief is.11 Daarbuiten kan beperking en nuancering van het recht op beroep dus enkel op de vormgeving van het rechtsmiddel betrekking hebben.
Naast de clausule uit het tweede lid van artikel 2 P7 EVRM laat het EHRM onder verwijzing naar de margin of appreciation-doctrine aan de staten omvangrijke ruimte om de inhoud van het recht op beroep te bepalen.12 Hier verdient alvast aandacht dat de Commissie en het Hof deze beperkingsmogelijkheid in het verleden vastknoopten aan de laatste volzin van het eerste lid van artikel 2 P7 EVRM: The exercise of this right, including the grounds on which it may be exercised, shall be governed by law.13 Exemplarisch zijn enkele zaken tegen Oostenrijk waarin het Hof overweegt dat “the Contracting States may limit the scope of the review by a higher tribunal by virtue of the reference in paragraph 1 of this Article to national law”.14 Bijzonder zuiver is het gebruik van dit aanknopingspunt echter niet. Vanuit grammaticaal oogpunt schrijft de zinsnede namelijk vooral voor dat het recht op beroep in het nationale recht moet worden geregeld.15 Wellicht daarom heeft het Hof door de jaren heen een eigen systematiek ontwikkeld voor de beoordeling van de vormgeving van een rechtsmiddel – dit komt in paragraaf 8 aan bod.
Het spreekt intussen voor zich dat de effectuering van het recht op beroep van de activiteit en alertheid van de verdachte zelf afhangt. Verzuimt hij tijdig beroep in te stellen, dan verspeelt hij dat recht.16 Het recht op beroep wordt ook wel een non-mandatory provision of een opportunity right genoemd.17 Afstand van het recht op beroep, bijvoorbeeld door intrekking van een rechtsmiddel, is bovendien toelaatbaar.18 Het EHRM oordeelt voorts dat dergelijke afstand in het aanvaarden van een plea bargain besloten kan liggen.19
De keuze voor het achterwege laten, afstand doen of intrekken van beroep mag echter niet in feite worden afgedwongen. In de woorden van het EHRM: “hindrance in fact can contravene the Convention just like a legal impediment.”20 Dit gebeurde bijvoorbeeld in een strafzaak in Ecuador, waarin intrekking van een reeds ingesteld appel van de veroordeelde werd verwacht als wisselgeld voor voorwaardelijke invrijheidstelling.21 Ook voorlopige hechtenis na afloop van de eerste aanleg kan problematisch zijn, indien het voortduren daarvan is gekoppeld aan het al of niet instellen van beroep.22
Een laatste vraag in het kader van beperking van het recht op beroep is of een inbreuk op dat recht kan worden gerepareerd door de beschikbaarheid of het gebruik van nóg een rechtsmiddel. In Nederlandse termen, kan cassatie de ondeugdelijkheid van hoger beroep repareren?23
Bij klachten over artikel 6 EVRM hanteert het EHRM een procedure as a whole-benadering.24 Binnen die benadering wordt de inbreuk op het ene procesrecht soms gecompenseerd door de inachtneming van een ander recht, of herstelt de correcte behandeling van een strafzaak in hoger beroep of cassatie soms gebrekkige berechting in eerdere aanleg. In lijn hiermee is denkbaar dat bijvoorbeeld een intensieve controle van het bewijs in cassatie een te beperkte controle daarvan in hoger beroep herstelt. Het ligt voor de hand dat het EHRM deze aanpak doortrekt naar het recht op beroep, maar echt duidelijk is dat in de jurisprudentie nog niet. Het CRM heeft volgens mij nog nooit in algemene bewoordingen de procedure as a whole-benadering bij klachten over een strafprocedure onderschreven, maar deze benadering wordt in enkele zaken in feite toch toegepast.25 Het is daarom niet uitgesloten dat het Comité waarde hecht aan de optelsom van rechtsmiddelen, maar zo’n benadering is vooralsnog niet in algemene bewoordingen uiteengezet.