Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/5.4
5.4 Wanneer leidt uitoefening van het eigendomsvoorbehoud tot ontbinding?
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398541:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Reehuis 2013, nr. 85 dient de ontbinding niet te worden betrokken op de opvordering door de verkoper, maar op de afgifte door de koper (zo ook art. 7:90 lid 1 BW). Het voordeel daarvan is volgens Reehuis dat wordt voorkomen dat de verkoper zich op eigen gezag de macht over de zaak verschaft en dat de koper de mogelijkheid heeft om het verzuim te zuiveren. Er bestaan echter voldoende mogelijkheden om te voorkomen dat de verkoper door middel van eigenrichting de macht over de zaak verschaft, terwijl evenmin valt in te zien waarom de koper de mogelijkheid zou moeten hebben om diens verzuim te zuiveren, als de verkoper reeds heeft aangegeven de koopovereenkomst te willen ontbinden. Bezwaarlijk aan deze opvatting is dat de koper niet de mogelijkheid heeft de afgifte van de zaak op te schorten totdat de verkoper het reeds aanbetaalde heeft gerestitueerd, omdat in deze visie de ongedaanmakingsverbintenis pas na, althans gelijktijdig met de afgifte ontstaat. Het verdient derhalve de voorkeur voor het moment van ontbinding aan te knopen bij het moment dat de verkoper de zaak opvordert. Vgl. Derleder 1975, p. 28 met verdere verwijzingen.
Vriesendorp 1985a, p. 70 (die als uitgangspunt echter aanneemt dat terugname leidt tot ontbinding) en Reehuis 2013, nr. 85. Zie ook Schoordijk 1959, p. 25 die als vermoeden zou willen aannemen dat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud met ontbinding gepaard gaat.
Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 39.1.
Vgl. Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 39.1. Anders: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 540 alwaar wordt vastgehouden aan het schriftelijkheidsvereiste (in Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 540 lijkt deze opvatting stilzwijgend te worden verlaten). Hierbij moet bedacht worden dat het schriftelijkheidsvereiste slechts tot doel heeft de wederpartij duidelijkheid te geven en haar bewijspositie te waarborgen. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 1005-1006. Voor zover aan die ratio voldaan is, behoeft niet star te worden vastgehouden aan het schriftelijkheidsvereiste, vooral niet wanneer men bedenkt dat de eis van schriftelijkheid tamelijk exotisch is in het Nederlandse privaatrecht en reeds uit gewoonte en gebruiken in een bepaalde bedrijfstak, mede in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid, iets anders kan voortvloeien. Zie voor dit alles Bakels 2011, nr. 9.
Zie hierover HR 8 juli 2011, NJ 2012, 684m.nt.T.F.E. Tjong Tjin Tai (G4/Hanzevast) met een instructieve conclusie van A-G Wissink waarin verschillende mogelijkheden de revue passeren, waardoor een overeenkomst zonder ontbindingsverklaring toch tot een eind kan komen.
Vriesendorp 1985a, p. 65-66.
OGH 28 januari 1987, zaaknr. 1Ob713/86 en OGH 18 mei 1988, zaaknr. 1Ob535/88, waarover Rummel/ Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 54.
Hemsing 1892, p. 51 en p. 76, Scholten 1906, p. 93, Fesevur 1979, p. 133, voetnoot 29, Vriesendorp 1985a, p. 65-66, Mincke 1995, p. 176, Reehuis 2013, nr. 82 en nr. 84, Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 39.2 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 540. Vgl. ook H. Rühl, ‘Die Vergleichsordnung und der Verkauf unter Eigentumsvorbehalt’, ZZP 1931, p. 181, Müller 1970, p. 1211 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 67. Zie voor hetzelfde argument m.b.t. samenloop tussen uitoefening van het recht van reclame en de ontbinding Asser/Scholten 1945, p. 398, Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 41-42, Dorhout Mees 1979, p. 2, Fikkers 1992, p. 29-35 en p. 91 en T.M. Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 279.
Blomeyer 1968, p. 2121, voetnoot 40. Vgl. ook Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 39.2 die aanneemt dat de koopovereenkomst alsnog voor ontbonden kan worden beschouwd als ‘de verkoper over de betreffende zaak beschikt op een wijze die niet strookt met zijn verplichting tot levering, bijvoorbeeld doordat hij de zaak aan een derde overdraagt of levert.’
Mezas 1985, p. 14.
Zie over deze rechtsgevolgen hierna in hoofdstuk 8, paragraaf 8.4.5.
Zie bijv. Serick 1963, p. 441, Dilcher 1979, p. 335 en Schwab 2000, p. 611.
OGH 28 oktober 1971, zaaknr. 1Ob284/71 en KBB/Apathy & Perner 2017, § 1052 ABGB, Rn. 5. Die mogelijkheid verleent het Duitse recht ook in het algemeen aan de Vorleistungspflichtige, maar ben ik in verband met het eigendomsvoorbehoud niet tegengekomen. Zie MünchKomm-BGB/Emmerich 2016, § 321 BGB, Rn. 23.
HR 15 januari 1993, NJ 1993, 193 (Oosterhuis/Buitenhuis), rov. 3.3. Vgl. ook Heyning-Plate 1969, p. 112, Mezas 1985, p. 14, Streefkerk 2013, nr. 26.4 en Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 39.2.
Hoewel de verkoper in beginsel slechts kan overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud indien hij de koopovereenkomst voorafgaand aan of gelijktijdig met de opvordering van de zaak ontbindt, is het dus mogelijk dat partijen daarvan afwijken. Aldus behoeft de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud niet zonder meer samen te vallen met ontbinding van de koopovereenkomst. Dat is niet alleen het geval indien partijen uitdrukkelijk een opeisingsbeding zijn overeengekomen. Ook denkbaar is dat partijen op het moment dat de verkoper zijn eigendomsvoorbehoud geldend maakt alsnog (stilzwijgend) overeenkomen dat de verkoper het eigendomsvoorbehoud geïsoleerd uitoefent, bijvoorbeeld doordat de koper instemt met terugname van de verkochte zaak, maar partijen het erover eens zijn dat de koopovereenkomst in stand blijft.1
Geenszins ondenkbaar is dat de verkoper simpelweg overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, zonder dat daarbij uitdrukkelijk het lot van de koopovereenkomst ter sprake komt. De vraag is dan of de opvordering moet worden begrepen als een geïsoleerde uitoefening van het eigendomsvoorbehoud of (tevens) als ontbinding van de koopovereenkomst.2 Het antwoord op die vraag is niet in algemene zin te formuleren, omdat de gevolgen van de terugneming moeten worden bepaald aan de hand van de interpretatie van de uitoefeningshandeling, waarbij de omstandigheden van het geval beslissend zijn.3 Als de verkoper de eigendom opeist, maar tegelijkertijd duidelijk maakt dat hij nog steeds betaling verlangt, zal sprake zijn van een geïsoleerde uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, waarmee de koper – bij gebreke van een contractueel opeisingsbeding – kan instemmen door de zaak af te geven. Verklaart de verkoper daarentegen bij de uitoefening bijvoorbeeld dat hij het reeds aanbetaalde gedeelte van de koopprijs (gedeeltelijk) verrekent met een schadevergoedingsvordering, dan zal duidelijk zijn dat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud ook beoogd is als ontbinding van de koopovereenkomst.4
Weliswaar bepaalt artikel 6:267 BW dat de ontbinding van de koopovereenkomst enkel schriftelijk of, indien de overeenkomst langs elektronische weg tot stand is gekomen, langs de elektronische weg kan geschieden, maar dat neemt niet weg dat in de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud besloten kan liggen dat de koopovereenkomst wordt ontbonden.5 Ook het volledig ontbreken van een ontbindingsverklaring behoeft er niet aan in de weg te staan dat de koopovereenkomst toch als ontbonden wordt beschouwd, bijvoorbeeld als de terugname geschiedt met instemming van de koper en partijen zich na de terugname zodanig gedragen dat daaruit kan worden afgeleid dat partijen de overeenkomst stilzwijgend als ontbonden hebben beschouwd.6
Om een aantal redenen zal in ieder geval een definitieve terugname van de zaak gepaard dienen te gaan met ontbinding van de koopovereenkomst en ongedaanmaking.7 In de eerste plaats kan de verkoper niet tegelijkertijd definitief aanspraak willen maken op de zaak alsook op betaling van de verschuldigde tegenprestatie. Zoals in de Oostenrijkse rechtspraak terecht wordt benadrukt, sluiten deze beide houdingen elkaar uit.8 De ene houding is gericht op het vasthouden aan het voortbestaan de koopovereenkomst, terwijl de andere houding gericht is op het annuleren van de koopovereenkomst. Ten tweede blijft de verkoper zolang de koopovereenkomst nog bestaat, verplicht tot eigendomsoverdracht. Hij dient de zaak derhalve ter beschikking te houden voor de koper.9 Als de verkoper zou overgaan tot hernieuwde vervreemding van de zaak, terwijl de koopovereenkomst nog bestaat, schiet hij tekort in de nakoming van de verplichtingen, omdat hij aldus frustreert dat koper eigenaar wordt, indien deze de koopprijs (alsnog) voldoet.10 In de derde plaats zou de verkoper aldus een inbreuk maken op het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.11 Zolang de koopovereenkomst nog bestaat, is immers denkbaar dat de voorwaarde nog in vervulling gaat, zodat dit voorwaardelijk eigendomsrecht nog altijd bestaat. Dienovereenkomstig is de verkoper slechts bevoegd te beschikken over een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. Pas door de ontbinding van de koopovereenkomst vervalt het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde en groeit het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde weer uit tot de onvoorwaardelijke eigendom.12 Vervolgens kan de verkoper weer vrijelijk beschikken over de zaak zelf.
Hiervoor kwam reeds aan de orde dat een patstelling kan ontstaan, indien de verkoper de zaak terugneemt, maar de koopovereenkomst (bewust) niet wordt ontbonden. Indien de koper reeds een gedeelte van de verschuldigde tegenprestatie heeft voldaan maar duidelijk is dat hij het restant niet meer kan c.q. zal voldoen, zou de verkoper door niet te ontbinden ogenschijnlijk kunnen bewerkstelligen dat hij zowel de verkochte zaak alsook het aanbetaalde bedrag zou behouden. Weliswaar blijft hij gehouden tot eigendomsoverdracht en is hij niet bevoegd de zaak te vervreemden aan derden, maar dat behoeft de verkoper niet te weerhouden van een dergelijke handelwijze. De koper heeft in een dergelijk geval geen ontbindingsbevoegdheid, omdat niet de verkoper, maar juist hijzelf tekortschiet in de nakoming van de koopovereenkomst. In de Duitse literatuur wordt door sommigen wel verdedigd dat de koper in een dergelijk geval een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft, indien de waarde van de teruggenomen zaak de hoogte van het nog openstaande deel van de koopprijs overstijgt.13 Inelegant aan deze oplossing is evenwel dat de koopovereenkomst een sluimerend bestaan blijft houden en partijen formeel nog verplicht zijn tot nakoming. Overtuigender is dan ook de oplossing van het Oostenrijkse recht, dat in dergelijke gevallen ook aan degene die als eerste moet presteren maar zelf niet nakomt – welke situatie aan de orde is als de koper eerst moet betalen alvorens de verkoper de zaak weer moet afgeven – de bevoegdheid verleent om de overeenkomst te ontbinden.14 Een dergelijke oplossing heeft de voorkeur, omdat zij beide partijen definitief bevrijdt van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. Een dergelijk resultaat laat zich ook naar Nederlands recht bereiken, door in een zodanig geval – waarin voor beide partijen duidelijk is dat nakoming niet meer zal plaatsvinden – aan te nemen dat, indien de koper verlangt dat het aanbetaalde bedrag wordt gerestitueerd, een beroep van de verkoper op het voortbestaan van de overeenkomst afstuit op artikel 6:248 lid 2 BW.15 Per saldo wordt daarmee een vergelijkbaar resultaat bereikt als met het toekennen van een ontbindingsbevoegdheid aan de koper.