Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.6.4
2.6.4 Ten behoeve van de invordering
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285671:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Respectievelijk: art. 23, tweede lid, art. 26, tweede lid, en art. 41 Wet VB 1892. Vergelijk: Handelingen II 1891/92, blz. 1339.
VV, Kamerstukken II 1892/93, 125, nr. 4, blz. 30. De ambtenaren der posterijen werden bij de betaling van de verschuldigde vermogensbelasting door middel van postwissels (art. 40 Wet VB 1892) rechtstreeks aangemerkt als onderworpen subject. Zie ook: Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 299 e.v., nrs. 287 en 289.
Aanschrijving Minister van Financiën van 30 september 1893, nr. 43, opgenomen in P.W. 8495 en brief Minister van Financiën van 11 december 1895, nr. 22 Reg., opgenomen in P.W. 8760. Zie ook: art. 122 Algemeene Instructie (1919) (I.V.).
Art. 22, derde lid, Wet op de BB 1893. De wens om uitreiking van het aanslagbiljet in gesloten omslagen voor alle gevallen voor te schrijven werd niet opgevolgd (VV, Kamerstukken II 1892/92, 71, nr. 5, blz. 58).
Art. 113 Wet IB 1914. Vergelijk: art. 37 Wet op de DT 1917 en art. 12 Verd. Bel. II. Zie ook: art. 122 Ontwerp van wet (Wet IB 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2 (ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22).
Sinninghe Damsté 1921, blz. 250 en Sinninghe Damsté 1931, blz. 498.
VV, Kamerstukken II 1902/03, 186, nr. 4, blz. 7. In 1918 werd dit alsnog in art. 47 Wet VB 1892 opgenomen (Wet van 27 juli 1918, houdende wijziging van de wet van 27 september 1892 (Staatsblad nr. 223) op de vermogensbelasting, gelijk zij door opeenvolgende wetten is aangevuld en gewijzigd, Kamerstukken II 1917/18, 33, Stb. 1918, 504. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, 205). Art. 47 Wet VB 1892 werd bij koninklijk besluit van 5 september 1918, Stb. 1918, 542 vernummerd naar art. 52 Wet VB 1892.
VV, Kamerstukken II 1913/1914, 18, nr. 9, blz. 63 en MvA, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 10, blz. 76. Vergelijk: Boogerman 1920, blz. 214.
Vergelijk: Sinninghe Damsté 1931, blz. 477 en Adriani 1935, blz. 389 voor enkele voorbeelden over het nut voor de invordering.
Daarna is het beeld een beetje wisselend. De invordering werd in het Ontwerp van wet Belastingherziening 1939 wel genoemd, maar in het Ontwerp van wet op de oorlogswinstbelasting 1940 en het Ontwerp van wet op de winstbelasting 1940 vervolgens weer niet. In de Wet VAB 1946 en de Wet VHI 1947 werd een andere formulering gebruikt en in de Wet VFN komt de invordering weer niet voor, waarna de invordering in de AWR een vaste plaats verwierf. Zie ook: Appendix A.
Sinninghe Damsté 1931, blz. 479. Vergelijk: Adriani 1935, blz. 388.
Dat de geheimhouding in de Wet VB 1892 een serieuze aangelegenheid was, bleek ook uit het feit dat de aanslagbiljetten met de uitnodiging tot betaling, uitspraken op bezwaar en aanmaningen tot betaling in gesloten omslagen (enveloppen) werden verstuurd.1 Met betrekking tot de invordering bestond de angst dat de geheimhouding niet zou zijn gewaarborgd bij de betaling van de verschuldigde belasting omdat de ambtenaren der posterijen dan de postwissel onder ogen zouden krijgen.2 Beleidsregels werden opgesteld om de geheimhouding bij de invordering te waarborgen.3 Bij de Wet op de BB 1893 ontvingen belastingplichtigen het aanslagbiljet slechts in een gesloten omslag ingeval de aangifte ook in een gesloten omslag was ingediend.4 Een balans werd gevonden in de Wet IB 1914; aanslagbiljetten werden in een gesloten omslag uitgereikt en slechts de aanslagbiljetten die bij de betaling in gesloten omslag werden aangeboden dienden – na betaling – op dezelfde wijze te worden teruggegeven.5 Hiermee kon het geheim van de aanslag ook tegenover gezins- en huisgenoten worden gewaarborgd en was het mogelijk om de betaling over te laten aan personeel zonder dat zij kennis konden nemen van het aanslagbiljet.6
Al in 1903 werd ten behoeve van de Wet VB 1892 gepleit voor het gebruik van fiscale gegevens ten behoeve van de invordering.7 Pas bij de invoering van de Wet IB 1914 werd gebruik van fiscale gegevens ten behoeve van “de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting" voor het eerst in de geheimhoudingsbepaling zelf opgenomen.8 Hiermee werd de twijfel weggenomen of de gegevens ook gebruikt konden worden voor de invordering van registratie- en successiebelastingen.9 Deze toevoeging werd tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in nagenoeg alle geheimhoudingsbepalingen opgenomen.10 Sinninghe Damsté oordeelde dat dit een overbodige bepaling was omdat dit naar zijn mening al onder de hoofdregel viel (nodig voor de uitoefening van het ambt of betrekking).11 Adriani geeft een bijzonder ruimte interpretatie door te stellen dat: “Het woord „invordering" mag blijkens de geschiedenis niet eng worden opgevat, zoodat de ambtenaar gegevens, verkregen voor de toepassing van de eene belasting kan gebruiken voor de heffing van een andere”.12