Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.3.2
2.2.3.2 Passieve voorbereidingshandelingen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715511:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens is een bezitsgedraging ook niet geschikt om de subjectieve zijde van het delict te bewijzen. Uit het enkele bezit kan immers niets worden afgeleid over de bedoelingen die de verdachte met het middel had. Toch wordt ‘bezitten’ ook in het buitenland als strafrechtelijke relevante gedraging gezien. Zo valt in het Engelse strafrecht te wijzen op Section 6(1) Fraud Act 2006, Section 5(2) Misuse of Drugs Act 1971 en Section 57(1) en 58(1) Terrorism Act 2000.
De Hullu 2021, p. 149-150.
De Jong 1989b, p. 178.
Zie daarover, in de context van witwassen: Borgers 2006, par. 3-4.
Dubber 2001, p. 859-860 en 915.
Vgl. Husak 2010, p. 29; Dubber 2001, p. 916.
Bezit – in de zin van het bewust voorhanden hebben van een voorwerp – kan immers ook ontstaan door een handeling van derden (mensen of dieren die het voorwerp bij iemand achterlaten) of door natuurfenomenen (een windvlaag of vloedgolf die een voorwerp verplaatst).
Vgl. Husak 2010, p. 29.
In het voorgaande ging het om actieve voorbereidingshandelingen met voorbereidingsmiddelen. Deze verschillen van passieve voorbereidingshandelingen, waarbij primair moet worden gedacht aan het enkele bezit – wat ik hier voor de leesbaarheid even gelijkstel aan ‘voorhanden hebben’ en nadrukkelijk niet noodzakelijkerwijs aan eigendom in civielrechtelijke zin – van voorbereidingsmiddelen. De strafbaarheid van bezit is vanuit causaliteitsoogpunt hoogst problematisch, omdat ‘bezitten’ als zodanig geen gevolgen veroorzaakt.1 Het is in het verlengde daarvan ook maar de vraag of de bezitsgedraging als zodanig wel redengevend is voor de strafbaarstelling. De Hullu wijst er dan ook terecht op dat strafbaarstellingen die zich richten op het voorhanden hebben van drugs, wapens, van diefstal afkomstige goederen en voorbereidingsmiddelen het daadstrafrechtbeginsel onder druk zetten.2 Vooral als dit soort middelen reeds in het bezit zijn van de verdachte vóórdat hij de intentie vormt om daar kwade dingen mee te gaan doen, is duidelijk dat strafbaarheid intreedt door het ontstaan van een intentie en dat de ‘gedraging’ (het bezit) geen stap in de causale keten vormt.3 Vanuit liberaal oogpunt moet de aansprakelijkheid voor bezit op zijn minst tot een minimum worden ingeperkt, door bijvoorbeeld niet alleen (bewustheid van) de aanwezigheid van een dergelijk voorwerp te vereisen, maar door de burger – in lijn met het controleprincipe – ook op enigerlei wijze de gelegenheid te bieden van het voorwerp afstand te doen. Het kan immers ook niet zo zijn dat iemand aansprakelijk wordt op de seconde dat hij zich bewust wordt van de aanwezigheid van een gevaarlijk middel.4 Die beperkingen kunnen echter op een meer fundamenteel niveau het probleem met betrekking tot het daadstrafrechtbeginsel niet verhelpen. Bezit is simpelweg geen actus reus.5
Dat probleem kan ook niet worden omzeild met het argument dat ‘bezit’ altijd het resultaat is van een actieve gedraging die wel veranderingen in de werkelijkheid teweegbrengt (zoals ‘aanschaffen’ of ‘verwerven’), zodat het slechts een wetsontwerptechnische keuze is om het resultaat strafbaar te stellen in plaats van de voorafgaande handeling.6 Inderdaad zijn gedragingen als ‘aanschaffen’ en ‘verwerven’ wel gedragingen in die zin dat ze veranderingen in de werkelijkheid aanbrengen, maar die gedragingen staan – zoals hiervoor in §2.2.3.1 uiteen is gezet – vanuit causaliteitsoogpunt te ver af van de uiteindelijk te veroorzaken schade. Nog los daarvan is het maar de vraag of ieder ‘bezitten’ per definitie het gevolg is van een dergelijke gedraging, in ieder geval indien die gedraging door de uiteindelijke bezitter zelf moet worden verricht.7 De strafbaarheid van ‘bezit’ kan dus niet zonder meer een afgeleide zijn van de strafbaarheid van gedragingen die hebben geleid tot dat bezit. Om vergelijkbare redenen kan de strafbaarheid van bezit ook niet worden gebaseerd op de idee dat het eigenlijk gaat om het nalaten afstand te doen van het goed.8 Als de liberale theorie de strafbaarheid van nalaten al kan aanvaarden, dan is het nog maar zeer de vraag of ook voorbereidingshandelingen uit een nalaten kunnen bestaan. Voor nalaten als voltooid delict moet het causaliteitsvereiste immers al behoorlijk worden opgerekt. Die reeds zwakke causale keten wordt in de voorfase nog verder uitgehold door de toegenomen afstand tot schadelijke gevolgen.
Als van passieve voorbereidingsgedragingen al objectief gevaar uit kan gaan, volgt dat dus niet zozeer uit de voorbereidingshandelingen als zodanig, maar moet dat vooral worden gezocht in de voorbereidingsmiddelen zelf. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten middelen: middelen die naar hun aard gevaarlijk zijn (§2.2.3.3), middelen die naar hun aard crimineel zijn (§2.2.3.4) en alledaagse middelen (§2.2.3.5).