Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/2.5.4.5
2.5.4.5 Personenvennootschappen
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186696:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de vof: HR 18 juni 1889, W 5735 (De Beaumont/G. Tielens aîné et fils vof) en HR 26 november 1897, W 7047 (Boeschoten/Besier) en HR 2 juni 2017, JOR 2017/249 (Beslag op inbreng vof), r.o. 5.3.3. Zie voor de openbare maatschap art. 3:192 BW en HR 15 maart 2013,JOR 2013/133 (Aansprakelijkheid advocatenmaatschap), Hamers & Van Vliet 2012, par. 4.4.2 en 4.5.1 en Mohr/Meijers 2018, par. 4.4.3. Voor de cv met meerdere beherende vennoten volgt dit uit het afgescheiden vermogen van de vof, voor de cv met één beherend vennoot werd dit erkend in HR 14 maart 2003,JOR 2003/80 (Hovuma/Spreeuwenberg).
Kleijn 1969 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/155 e.v., Van Veen en Grapperhaus duiden dit aan als de goederenrechtelijke en de obligatoire deelgerechtigdheid, GS Personenassociaties, par. 4.3.5.1.
HR 24 januari 1947, NJ 1947/71 (Rouma/Levelt).
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/159 en 338 en HR 24 januari 1947,NJ 1947/71 (Rouma/Levelt).
Meijers & Mohr 2018, par 7.6.3 en Van Veen, GS Personenassociaties, par. 5.12.4.1.1.
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/159 en Tervoort 2015, par. 2.5.2.2.
Anders: Stokkermans 2017, p. 146.
Vgl. HR 26 november 1897, W 7047 (Boeschoten/Besier).
Zie HR 3 februari 1959, NJ 1960/120, AA V, p. 170. (Hardy) en HR 4 januari 1937,NJ 1937/586 (Schaaper).
Zie ook Vroom & Scheltens 1957, p. 55, Van der Grinten in zijn noot onder het Hardy-arrest in N.V., 1956, p. 208 en Wery 2001, p. 111.
Zie HR 3 februari 1959, NJ 1960/120, AA V, p. 170 (Hardy) en daarover A. van Hees 1989, p. 25 e.v.
HR 14 maart 2003, JOR 2003/80, NJ 2003/327 (Hovuma/Spreeuwenberg).
Zo ook Stokkermans 2017, p. 147, vgl. echter ook Stokkermans 2017, p. 189.
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/173, Kleyn 1969 en HR 17 december 1993, NJ 1994/301 (Van den Broeke/Van der Linden).
HR 2 juni 2017, JOR 2017/249 (Beslag op inbreng vof), r.o. 5.3.3.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/162, Hamers & Van Vliet 2012, par. 4.2, Perrick 1986, nr. 15 en nr. 27 en Steneker 2005, p. 102.
Vgl. art. 3:178 lid 2 BW. Zie ook HR 26 november 1897, W 7047, (Boeschoten/Besier), Wessels Insolventierecht VII 2013/7167, Couwenberg & Peters 2008, p. 83, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/181, Polak/Polak 1972, p. 346, Hartman 1959, p. 5 en Molengraaff 1884.
Zie par. 1.5.
64. Voor wat betreft de kwalificatie als achtergestelde vordering lijkt de positie van een aandeelhouder in een kapitaalvennootschap op die van een vennoot in een personenvennootschap. De ondergeschikte positie van aandeelhouders in kapitaalvennootschappen wordt veroorzaakt doordat hun aanspraken slechts zien op het liquidatieoverschot van het vermogen van de kapitaalvennootschap. Voor deze systematiek is niet vereist dat het afgescheiden vermogen is verbonden aan een zelfstandige rechtspersoon. Bij personenvennootschappen treedt hetzelfde op. Een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap en een maatschap bezitten geen rechtspersoonlijkheid maar wel een afgescheiden vermogen.1 Dat is voldoende om de inbrengers van het eigen vermogen een achtergestelde positie te geven. Andere personenvennootschappen blijven buiten beschouwing.
De aanspraak van een vennoot in een personenvennootschap op het liquidatiesaldo vloeit voort uit zijn deelgerechtigdheid in het vennootschapsvermogen. Die deelgerechtigdheid wordt onderscheiden in zijn ‘economische deelgerechtigdheid’ en zijn juridische of goederenrechtelijke gerechtigdheid.2 De achtergestelde positie van een vennoot is met beide begrippen verbonden.
De juridische of goederenrechtelijke deelgerechtigdheid betreft de goederenrechtelijke verhouding tussen de vennoten en de goederen die vallen in het afgescheiden vermogen van de vennootschap. Die verhouding bestaat erin dat het vermogen van de vennootschap een afgescheiden vermogen vormt, waarvan de vennoten gezamenlijk de rechthebbenden zijn.
De economische deelgerechtigdheid betreft niet de goederenrechtelijke verhouding van de vennoten tot het vermogen, maar de aanspraken die de vennoten economisch gezien toekomen in termen van waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen die feitelijk door en voor de vennootschap worden gebruikt.3 De achtergrond voor dit begrip is dat vennoten als inbreng aan een personenvennootschap het feitelijk gebruik van een goed ter beschikking kunnen stellen, zonder dat zij de vermogenswaarde daarvan aan de vennootschap willen overdragen, waarna die vermogenswaarde ook aan hun medevennoten toekomt.4 Om uit te drukken dat de waarde van het betreffende goed niet in gelijke mate aan alle vennoten toekomt wordt de vennoot die een goed inbrengt een aanspraak toegekend tot terugbetaling van die waarde. De Hoge Raad overwoog hierover:
“dat daarom – tenzij anders mocht zijn overeengekomen – de vennoot, die, met de bijzondere bestemming den inbreng eigen, geld of goederen afstaat in den mede-eigendom der vennooten, het recht behoudt op de vermogenswaarde van het ingebrachte, zoodat hij ingeval van vereffening der maatschap, een vorderingsrecht heeft tot terugbetaling van het bedrag daarvan, voorzoover dit niet door zijn aandeel in het verlies der maatschap mocht zijn opgeteerd.”5
Dit betekent niet dat de vennoot een wettelijk achtergestelde vordering heeft. Dat blijkt uit de behandeling van deze ‘vordering’ bij een faillissement en opvolgende vereffening.
De opbrengst van het vennootschapsvermogen wordt primair aangewend om de schuldeisers van de vennootschap te voldoen. Als de opbrengsten onvoldoende zijn om alle schuldeisers te voldoen eindigt het faillissement met een tekort. De inbreng van de vennoten wordt dan gebruikt om de zaaksschuldeisers te voldoen en zodoende de verliezen van de vennootschap te compenseren. De vennoten ontvangen dan niets. Als er na voldoening van alle schuldeisers nog opbrengst rest eindigt het faillissement van het vennootschapsvermogen door voldoening van alle schuldeisers. Daarna volgt een vereffening. Voor zover er nog niet geliquideerde vermogensbestanddelen zijn worden die te gelde gemaakt en vervolgens wordt het liquidatieoverschot verdeeld onder de vennoten. Bij die verdeling wordt eerst ieder zijn ‘economische deelgerechtigdheid’ toebedeeld.6 Daarbij ontvangt iedere vennoot allereerst de nominale waarde van zijn inbreng.7 Omdat alle schuldeisers reeds zijn voldaan is dat een uitkering van eigen vermogen. De uitkering van de economische gerechtigdheid aan de vennoten is dus geen betaling op een vordering maar een toedeling in verband met zijn deelname in het vennootschappelijk kapitaal.8 De aanspraak van de vennoot daarop is zijn kapitaalrekening.9 Die aanspraak ontleent hij aan zijn inbreng, maar het is geen vorderingsrecht in de zin van Boek 6 BW.10 Net als een aandeelhouder in een kapitaalvennootschap heeft een vennoot in een personenvennootschap een aanspraak op het liquidatieoverschot die in ieder geval tot verdeling van het liquidatieoverschot niet als vordering te gelden heeft. Daarom is ook de aanspraak van een vennoot in een personenvennootschap tot uitkering van zijn inbreng geen wettelijk achtergestelde vordering.
Er is wel sprake van een ondergeschikte aanspraak. De vennoten kunnen immers alleen een uitkering op hun inbreng ontvangen als er nog enig vermogen resteert na de betaling van de schuldeisers. Op deze manier versterkt de inbreng van de vennoten de kredietwaardigheid van de vennootschap, zoals de storting op aandelen van een kapitaalvennootschap het vermogen bijeenbrengt dat de kapitaalvennootschap in theorie kredietwaardigheid verschaft jegens diens schuldeisers.11
65. Hierbij past een historische noot. De geldende jurisprudentie van de Hoge Raad is lange tijd geweest dat een commanditaire vennootschap met slechts één beherende vennoot geen afgescheiden vermogen had.12 Het vermogen van een commanditaire vennootschap met één beherende vennoot viel dus samen met het vermogen van de beherend vennoot. De commanditaire vennoot had daardoor een vordering op de beherende vennoot tot teruggave van zijn inleg.13 Niettemin diende de door de commandiet gefourneerde gelden als aansprakelijk vermogen voor de zaaksschuldeisers. Dit bracht de Hoge Raad ertoe de vordering van die commandiet op een bijzondere wijze achtergesteld te achten. In het Hardy- arrest heeft de Hoge Raad expliciet overwogen volgens welke formules de uitkeringen uit het faillissement van de beherende vennoot aan de commanditaire vennoot, aan de zaaksschuldeisers, en aan de privéschuldeisers moesten worden bepaald.14 Inmiddels is deze jurisprudentie achterhaald, omdat in het arrest Hovuma/Spreeuwenberg ook het afgescheiden vermogen van een commanditaire vennootschap met één beherende vennoot is erkend.15
66. De aanspraken die een vennoot heeft uit hoofde van zijn kapitaalinbreng in een personenvennootschap zijn dus net als de gerechtigdheid van een aandeelhouder tot het liquidatiesaldo geen wettelijk achtergestelde vorderingen.16 De reden is dat dat geen vorderingen zijn. Daarom vallen zij buiten het bestek van dit onderzoek.
67. De vermogensstructuur van een personenvennootschap schept nog een tweede achterstelling. De oorzaak daarvan is dat een personenvennootschap wel een afgescheiden vermogen kent maar geen eigen rechtspersoonlijkheid.
Alleen de zaaksschuldeisers kunnen zich verhalen op de vermogensbestanddelen in het vennootschappelijk vermogen.17 De privéschuldeisers kunnen zich daar niet op verhalen.18 Zij zijn wel schuldeiser van dezelfde schuldenaar als de zaaksschuldeisers maar zij kunnen geen verhaal nemen op het zaaksvermogen. Door de gebondenheid van dat afgescheiden vermogen kunnen de privéschuldeisers hun vorderingen zelfs niet verhalen op het aandeel van een vennoot in de vennootschappelijke goederengemeenschap of zijn aandeel in de afzonderlijke vermogensbestanddelen van de vennootschap.19 In een eventueel faillissement van het afgescheiden zaaksvermogen kunnen alleen de zaaksschuldeisers verhaal nemen.20 Slechts in het uitzonderlijke geval dat er na betaling van de zaaksschuldeisers nog enig vermogen resteert wordt dit aan de vennoten uitgekeerd.21 Daarna kunnen de privéschuldeisers zich op dit saldo verhalen. Zij zijn in zoverre achtergesteld bij de zaaksschuldeisers. Dit is een structurele achterstelling. Die valt buiten het bestek van dit onderzoek.22
Verder vormen de aanspraken van een vennoot op uitkeringen uit het vennootschapsvermogen geen wettelijk achtergestelde vordering.