Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.0:2.6.0 Introductie
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.0
2.6.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436737:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.P. Funke, NJB 1967, p. 871.
Handelingen II 1968/69, 8, p. 319.
Handelingen II 1968/69, 8, p. 329.
Zie bijv. Struycken (1970), p. 160 e.v.; Sluijk (1976), p. 12-13.
Aldus expliciet Rb. Amsterdam 16 januari 1975, NJ 1975, 375; Hof Amsterdam 24 maart 1977, NJ 1978, 181; Hof Leeuwarden 28 juni 1978, NJ 1980, 50; Hof Den Bosch 30 september 1982, NJ 1983, 732 (JCS).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In welke gevallen verklaarde de Nederlandse rechter zich in verzoekschriftzaken op grond van art. 429c Rv oud forum non conveniens? Wanneer was een verzoek onvoldoende verbonden met de rechtssfeer van Nederland? Welke factoren nam de Nederlandse rechter hierbij in aanmerking? Het eerder genoemde opstel van Funke volstond met de mededeling dat het antwoord voor elke soort verzoekschriftprocedure en zelfs van geval tot geval kon verschillen. Volgens Funke kon de Nederlandse nationaliteit hierbij wel een rol spelen, maar geenszins een beslissende. Funke heeft de volgende voorbeelden gegeven:
`Zal een verzoek van een in Japan wonende Nederlander, die nooit in Nederland is geweest en hier geen bezittingen heeft, aan de Haagse Rb. om hem wegens verkwisting onder curatele te stellen, voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland hebben? Stel dat een naar Nieuw Zeeland geëmigreerd Nederlands echtpaar onenigheid heeft over de bestrijding van de kosten der huishouding (voorgesteld art. 1.6.4 nieuw B.W.), zal dan een verzoek van een der echtgenoten aan de Haagse Rb. om dit geschil te beslechten (voorgesteld art. 798 jo. 429c Rv.) voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland hebben? Beide vragen zou ik ontkennend willen beantwoorden."1
De Memorie van Toelichting bij art. 429c Rv oud biedt evenmin veel verheldering. Wel is een aantal haast vanzelfsprekende voorbeelden te vinden in de parlementaire beraadslaging. Tweede Kamerlid Goudsmit achtte het juist dat 'bijvoorbeeld een willekeurige Amerikaanse verzoeker, die iets te verzoeken heeft over een onroerend goed of een erfenis in Amerika, daarmee niet bij een rechter in Nederland aankomt omdat hij in Amerika problemen heeft.'2 Minister van Justitie C.H.F. Polak gaf het voorbeeld van het verzoek van iemand die hier tijdelijk werkt en dus hier zijn werkelijke verblijf heeft, om zijn in het buitenland verblijvende echtgenote onder curatele te stellen.3
In de literatuur werden diverse pogingen gedaan om het forum non conveniensbegrip voor deelonderwerpen te preciseren,4 maar het is de (lagere) rechtspraak geweest die aan dit begrip invulling heeft gegeven. In het algemeen verlangde de rechtspraak dat de Nederlandse rechtssfeer op relevante wijze werd geraakt. De aanknoping diende dus een relevante te zijn.5 Relevant waren in ieder geval de traditionele aanknopingsfactoren zoals de woonplaats, de gewone verblijfplaats en de nationaliteit. Deze factoren hadden echter geen vaste aanknopingswaarde; de relevantie kon per verzoekschriftprocedure of zelfs van geval tot geval verschillen.
Zo was de woonplaats of gewone verblijfplaats voor bepaalde soorten verzoekschrift-procedures een stabiele basis voor rechtsmacht, terwijl het voor andere soorten procedures weer te mager was. Dit had gevolgen voor de toepassing van forum non conveniens. Naarmate de aanknopingsfactor voor een bepaalde soort procedure minder geschikt was, nam de kans op een forum non conveniens-correctie toe.