Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.4.2.6
6.4.2.6 Toerekening van kennis aan een rechtspersoon
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713183:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 mei 1990, NJ 1990/544 (Los Gauchos); HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (Idee 2); HR 11 november 2005,ECLI:NL:HR:2005:AT6018, NJ 2007/231, m.nt. J.B.M. Vranken (Ontvanger/Voorsluijs).
Par. 6.4.2.2.
Katan 2017.
Katan 2017.
Katan 2017, p. 164, 508.
Katan, p. 165, 508. Zie ook par. 7.8 voor enkele verfijningen op de hoofdregel, zoals dat de rechter moet meewegen dat het doorgeleiden van informatie in sommige gevallen tijd kost.
Katan 2017, p. 162.
Katan 2017, p. 226; Katan, Ondernemingsrecht 2018/22; Zie ook: Tjittes 2022, p. 185 e.v.
Katan 2017, p. 232.
Katan 2017, p. 232.
Katan 2017, p. 236-237, 335.
Katan 2017, p. 274. Volgens haar kunnen ook andere omstandigheden, die niet direct voortvloeien uit het organisatiebeginsel de verkeersopvattingen inkleuren.
Katan 2017, p. 264. Zie ook p. 269, verwijzing naar andere auteurs die ook lijken te pleiten voor een organisatiebeginsel in het Nederlands recht.
Katan 2017, p. 272.
Katan 2017, p. 294 e.v.; 336.
Een nadere bespreking van deze gezichtspunten ligt buiten het bestek van dit proefschrift. Zie voor een uitwerking: Katan 2017, par. 9.12.
Tjittes 2022, p. 201 e.v.
Tjittes 2022, p. 201 e.v.
De Valk 2009, p. 68-69; Jansen 2012, 540.
Katan, nr. 55 e.v., p. 40 e.v.
Bij de toerekening van kennis aan een rechtspersoon spelen vergelijkbare problemen als bij de toerekening van gedragingen aan een rechtspersoon. Rechtspersonen zijn geen mensen van vlees en bloed, die kunnen denken en kunnen weten. Voor de toerekening van kennis aan de rechtspersoon geldt hetzelfde criterium als voor de toerekening van gedragingen: de verkeersopvatting.1 Ik behandel de toerekening van kennis in dit deel en niet in het deel over daderschap, omdat het kennisvereiste van groot belang is voor het vaststellen van de onrechtmatigheid en toerekenbaarheid.2 In deze paragraaf geef ik kort weer hoe kennis aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Ik steun hierbij grotendeels op het proefschrift van Katan.3
Katan maakt onderscheid tussen de standaardsituatie en ‘ingewikkelde gevallen’.4 Onder ‘standaardsituatie’ verstaat zij de situatie dat de wetende functionaris betrokken is ‘bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding’ en deze informatie niet heeft gebruikt.5 Is deze functionaris een ‘Wissensvertreter’, oftewel behoort het tot zijn taak om maatregelen te nemen naar aanleiding van die informatie, dan kan de kennis worden toegerekend aan de rechtspersoon.6 Volgens Katan geldt een orgaan of de bedrijfsleiding van een rechtspersoon per definitie als ‘Wissensvertreter’.7 Heeft het orgaan informatie die relevant is voor de uitoefening van zijn bevoegdheid of werkzaamheden, dan wordt de kennis in beginsel toegerekend aan de rechtspersoon.8
Behalve het standaardgeval, onderscheidt Katan het (‘ingewikkelde’) geval van kennisversplintering. Onder kennisversplintering verstaat zij “de situatie waarin het individu dat betrokken is bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding – de handelende functionaris – niet beschikt over de daarvoor relevante informatie, terwijl die informatie elders binnen de organisatie wel aanwezig is of is geweest.”9 Kennisversplintering kan optreden omdat relevante informatie niet wordt doorgegeven, bijvoorbeeld omdat de wetende functionaris dit verzaakt, uit dienst is getreden of is overleden. Kennisversplintering treedt eveneens op indien er geen sprake is van een wetende functionaris, maar de informatie zich wel bevindt in een (elektronische) database.10 In gevallen van kennisversplintering moet de rechter beoordelen of de rechtspersoon een beroep toekomt op de onwetendheid van de handelende functionaris.11 Katan betoogt dat in de meerderheid van de gevallen van kennisversplintering een organisatieplicht kan worden aangenomen.12 Een organisatieplicht definieert zij als: “de gehoudenheid van de rechtspersoon om de interne communicatie en de opslag en beschikbaarheid van informatie op zodanige wijze te organiseren dat functionarissen van de rechtspersoon bij uitoefening van hun taken steeds in voldoende mate beschikken over de informatie die daarvoor relevant is.”13 Heeft de rechtspersoon niet voldaan aan zijn organisatieplicht, dan kan de rechtspersoon zich niet op onwetendheid beroepen.14 De organisatieplicht vloeit voort uit het zogenaamde organisatiebeginsel. Katan betoogt dat het organisatiebeginsel dienstig kan zijn bij het ‘selecteren en wegen van de relevante omstandigheden’ die de verkeersopvattingen inkleuren.15 Zij onderscheidt de volgende gezichtspunten: de voorzienbare relevantie van de informatie; aanleiding tot het opvragen of raadplegen van informatie; strekking van de norm; functie, positie en deskundigheid van de functionaris; oorzaak van de kennisversplintering; tijdsverloop; bezwaarlijkheid van opslag, doorgifte en raadpleging van informatie; samenhang tussen activiteit van wetende en handelende functionaris; presentatie van de organisatie als eenheid; motief voor niet-delen of niet-opvragen van kennis; bron van kennis; professionaliteit van de rechtspersoon; aard en inhoud van de rechtsverhouding; kennis, deskundigheid en hoedanigheid van de wederpartij; en de gewekte verwachtingen ten aanzien van interne kennisdeling.16
Naast het ‘standaardgeval’ en het ‘ingewikkelde geval’ van kennisversplintering meent Tjittes dat in sommige gevallen fictieve wetenschap van de rechtspersoon zelf aangenomen kan worden.17 Tjittes meent dat het soms een te moeilijke exercitie is om kennis van de organisatie terug te leiden tot kennis van de functionaris. Kennis omtrent de bedrijfscultuur, de bedrijfsvoering, het normale productieproces en naleving van veiligheidsmaatregelen binnen de organisatie wordt de rechtspersoon geacht te hebben.18 De Valk en Jansen lijken deze opvatting te steunen.19 Katan ziet niets in deze fictieve wetenschap van de rechtspersoon en meent dat bovengenoemde situaties vallen in de ‘standaardgevallen’ en ‘ingewikkelde gevallen’ en op die manier opgelost kunnen worden.20 Ik ben het in zoverre met Tjittes, De Valk en Jansen eens dat kennis niet altijd hoeft te worden toegerekend aan de hand van kennis van een functionaris of aan de hand van schending van een organisatieplicht. In paragraaf 6.4.2.4 heb ik aangegeven dat kennis omtrent bekende risico’s via een maatmens vastgesteld kan worden. In een dergelijk geval is het niet nodig om vast te stellen dat de concrete laedens deze kennis daadwerkelijk had. Ook de ‘achtergrondkennis’ die nodig is voor het aannemen van een onderzoeksplicht (paragraaf 6.4.2.4) kan aan de hand van een maatmens worden toegerekend. In dat geval is toerekening van kennis op de hierboven beschreven manier niet nodig. In de gevallen dat subjectieve kennis is vereist, zoals in het geval van zuiver nalaten of de aanwijzingen die nodig zijn voor het aannemen van een onderzoeksplicht, dient de kennis wel te worden toegerekend aan de hand van Katans gezichtspuntencatalogus.