Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.2.1
7.2.2.1 Mogelijkheid van een ‘waiver’ van EVRM-rechten
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620290:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Keulen & Knigge 2010, p. 100-103 en Reijntjes 2008, p. 548-551.
Van de rechten gewaarborgd door art. 2 en 3 EVRM is een waiver (waarbij het gaat om de verhouding ten opzichte van de overheid: euthanasie bijv. heeft hiermee dus niet van doen) niet mogelijk. En ook van het door art. 5 EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid kan niet zomaar vrijwillig afstand worden gedaan: zie HR 9 september 1998, NJ 1999/63 waarin het ging om een verdachte die vrijwillig negen dagen op het politiebureau verbleef en waar in de beslissing van de HR een duidelijke echo klonk van EHRM 18 juni 1971, Serie A nr. 12 (De Wilde, Ooms en Versyp tegen België).
EHRM 17 juli 2007, EHRC 2007/106.
Vgl. Keulen & Knigge 2010, p. 103.
EHRM 27 november 2008, 36391/02, NJ 2009/214 (Salduz v. Turkije).
EHRM 11 december 2008, 4268/04, (Panovits v. Cyprus).
In de rechtspraak van het EHRM is geaccepteerd dat van verschillende in het EVRM neergelegde rechten vrijwillig afstand kan worden gedaan. Het aanwezigheidsrecht en het zwijgrecht zijn daarvan voorbeelden. Men spreekt in dat verband van een ‘waiver’.1 Naast de vraag van welke rechten afstand kan worden gedaan,2 is vooral belangrijk aan welke eisen een geldige waiver moet voldoen. Keulen & Knigge spreken in dit verband van een ‘allerminst uitgekristalliseerde problematiek’, maar – en dat is in het verband van dit op vormfouten in het voorbereidend onderzoek geconcentreerde boek van belang – aangenomen kan worden dat een burger van zijn door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy vrijwillig afstand kan doen.3 De enige mij bekende beslissing van het EHRM over de eisen aan een waiver van privacyrechten door middel van het geven van toestemming tot binnentreden is de atypische zaak Kucera v. Slowakije.4 Daar was een groep gemaskerde en met ‘submachine guns’ gewapende agenten ‘s morgens vroeg bij Kucera binnengevallen. In die omstandigheden kon volgens het EHRM redelijkerwijs worden geconcludeerd ‘that the applicant was left with little choice but to allow them to enter his apartment. It is difficult to accept that, in the circumstances, any consent given by the applicant was free and informed’.
Meer rechtspraak van het EHRM bestaat over de eisen aan een geldige waiver van rechten uit art. 6 EVRM. Op grond daarvan veronderstellen Keulen & Knigge dat de aan een geldige ‘waiver’ te stellen eisen mede afhangen van de aard van het recht en het concrete rechtsbelang dat in het geding is.5 Voor die gedachte kan steun worden gevonden in bijvoorbeeld de volgende overweging van het EHRM in de zaak Salduz v. Turkije:
‘59. The Court further recalls that neither the letter nor the spirit of Article 6 of the Convention prevents a person from waiving of his own free will, either expressly or tacitly, the entitlement to the guarantees of a fair trial (...). However, if it is to be effective for Convention purposes, a waiver of the right to take part in the trial must be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate to its importance.’6
Voor het geval waarin de verdachte dit niet met zoveel woorden heeft gezegd, maar uit zijn gedrag wordt afgeleid dat sprake is van een waiver, sloeg het EHRM in de zaak Panovits v. Cyprus bij de beoordeling van de waiver voorts acht op de betrokken persoon:
‘68. (...) Moreover, before an accused can be said to have impliedly, through his conduct, waived an important right under Article 6, it must be shown that he could reasonably have foreseen what the consequences of his conduct would be (...). The Court considers that given the vulnerability of an accused minor and the imbalance of power to which he is subjected by the very nature of criminal proceedings, a waiver by him or on his behalf of an important right under Article 6 can only be accepted where it is expressed in an unequivocal manner after the authorities have taken all reasonable steps to ensure that he or she is fully aware of his rights of defence and can appreciate, as far as possible, the consequence of his conduct.’7