Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.2
7.2.2 Toestemming tot het verrichten van opsporingshandelingen
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS615535:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 1 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1694, NJ 2000/264 (toestemming, dus niet dwangmiddel huiszoeking toegepast).
Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5315, NJ 2013/355 (oordeel hof dat opsporingsambtenaren de verdachte niet om toestemming hadden mogen vragen om zijn woning binnen te treden en te doorzoeken, omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, is onjuist). Zie ook HR 11 juni 1996, NJ 1996/688 (onderzoek aan kleding) en HR 8 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4742, NJ 2000/316 (doorzoeking woning).
Vgl. Keulen & Knigge 2010, p. 303-305.
Zie bijv. HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6422 (in midden kan blijven of inspectie mondholte een onderzoek aan het lichaam is ex art. 9, lid 2, (oud) Opiumwet, omdat verdachte vrijwillig visuele inspectie van zijn mondholte mogelijk maakte, zodat geen sprake was van toepassing dwangmiddel tegen wil verdachte).
Zie HR 3 november 1992, DD 93.121 (toestemming door 12-jarige dochter tot binnentreden woning verdachte); HR 12 juni 1990, NJ 1991/441 (stilzwijgende toestemming door beheerder coffeeshop als vertegenwoordiger verdachte) en HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. Schalken (geldige toestemming van dochter tot doorzoeking woning verdachte). Zie hierover nader Reijntjes 2008, p. 557.
Zie daarover nader Reijntjes 2008, p. 554 en zie bijv. HR 12 juni 1990, NJ 1991/441 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7501 (instemming met fouillering tot in bh bij betreden Loveland festivalterrein).
Zie bijv. HR 21 januari 1992, DD 92.188 (meenemen politie naar eigen slaapkamer waar vriend van tante vermoedelijk drugs in kast had gezet) en HR 24 februari 2004, ECLI: NL:HR:2004:AO1830, NJ 2004/226 (gevraagd of hij inbrekerswerktuig bij zich heeft, werpt verdachte zijn jas en heuptas op de grond en zegt ‘kijk maar, ik heb niets bij me’).
Zie HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9576, NJ 2006/648 (contractuele voorwaarden FedEx behelzen dat wie haar een brief toevertrouwt op voorhand toestemming geeft de brief te openen ingeval zij dit nodig acht of haar daarom wordt verzocht door een overheidsinstelling).
Zie HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7363, NJ 2006/651 (verdachte gaf de ex art. 151a lid 1 Sv vereiste schriftelijke toestemming tot afname van celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek, maar verzuimd was hem te wijzen op mogelijkheid zich bij nemen van die beslissing te laten bijstaan door raadsman en dat zijn DNA-profiel als vergelijkingsmateriaal kon worden opgenomen in de DNA-databank) en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:144 (niet voorafgaand aan toestemming tot binnentreden doel daarvan medegedeeld).
Een ander algemeen punt dat van belang kan zijn bij de vraag of sprake is van een vormverzuim, is of toestemming is gegeven tot het verrichten van bepaalde opsporingshandelingen. Als geldig toestemming is gegeven, zijn geen dwangmiddelen toegepast1 en behoeft aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de toepassing van de betreffende dwangmiddelen ook niet te zijn voldaan.2 Van een verzuim aan die voorwaarden te voldoen is in een dergelijk geval geen sprake. De Nederlandse rechtspraak biedt hiervan verschillende voorbeelden.3 Afhankelijk van de aard van de opsporingshandelingen is geaccepteerd dat niet alleen de verdachte,4 maar ook een derde geldig toestemming kan verlenen.5 Een geldige stilzwijgend verleende toestemming is mogelijk6 en ook kan zij besloten liggen in feitelijke gedragingen7 of in de aanvaarding van contractuele voorwaarden.8 Overigens behoeft nietelk gebrek dat kleeft aan de verleende toestemming tot bewijsuitsluiting te leiden.9 In HR 22 maart 1994, NJ 1994/512 oordeelde de Hoge Raad dat als achteraf komt vast te staan dat de in het doorzochte pand aanwezige persoon – in dat geval een medewerker van een gereedschapsverhuurbedrijf – anders dan de opsporingsambtenaren afgaande op zijn verklaring mochten menen, niet gerechtigd was tot het geven van toestemming, dat niet leidt tot het oordeel dat de doorzoeking onrechtmatig is.
7.2.2.1 Mogelijkheid van een ‘waiver’ van EVRM-rechten7.2.2.2 Differentiatie in eisen aan toestemming in Amerikaanse rechtspraak7.2.2.3 Eisen aan toestemming