RvdW 2024/209:Eenvoudig witwassen van geldbedrag (art. 420bis lid 1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Is in huis van verdachte en bij zijn fouillering aangetroffen geldbedrag afkomstig uit enig misdrijf? HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2019/298, m.nt. N. Rozemond m.b.t. bewijs bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in witwasbepalingen. Hof heeft vastgesteld dat bij doorzoeking van huis van verdachte en bij zijn fouillering een aanzienlijke hoeveelheid contant geld is aangetroffen. Verdediging heeft aangevoerd dat dat geld afkomstig was van onder meer a) zus van verdachte voor als zij zou komen te overlijden, b) inkomsten uit verkoop van Surinaamse zangvogels, en c) vader van verdachte die als hindoepriester collectegeld beheerde. Hof heeft aan de hand van uitkomst van eenvoudige kasopstelling geoordeeld dat verdachte €  7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. Hof heeft verder overwogen dat verklaring van verdachte over contante ontvangsten van geldbedragen van zijn zus een niet verifieerbare verklaring is. Hof heeft echter in het midden gelaten of verklaring van verdachte over inkomsten uit verkoop van Surinaamse zangvogels en over beheer van collectegeld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. In aanmerking genomen wat hiervoor is vooropgesteld, is bewezenverklaring daarom niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.