Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.4
2.2.4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf (1987)
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950450:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 18 december 1986 tot wijziging van de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf (Staatsblad 1986, 637). De doorlopende tekst van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf is opgenomen in Staatsblad 1986, 638.
Boshuizen 2001, p. 180.
Eerste Richtlijn van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (79/267/EEG) (PbEU 1979, L 63/1).
Kamerstukken II 1985/86, 19329, nr. 3, p. 16 (MvT).
Kamerstukken II 1985/86, 19329, nr. 3, p. 16 (MvT).
Kamerstukken II 1985/86, 19329, nr. 3, p. 16 (MvT).
Met ingang van 1 juni 1987 zijn de voorschriften voor schade- en levensverzekeraars in één wet samengevoegd.2 De Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf werd namelijk al snel vervangen door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf. Inmiddels was in 1979 ook de Eerste levenrichtlijn3 tot stand gekomen met dezelfde doelstelling als de Eerste schaderichtlijn. Naar aanleiding daarvan begon men eerst te werken aan aanpassing van de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923, maar vervolgens werd in 1985 besloten de toezichtwetgeving voor het schade- en levensverzekeringsbedrijf in één wet te integreren.4 Feitelijk betrof dit een integrale aanpassing van de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf door de wettelijke regeling van het levensverzekeringsbedrijf daarin te incorporeren. Dat betrof uiteraard de bepalingen van de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923, maar dan geactualiseerd op basis van de Eerste levenrichtlijn. Art. 25 van de Eerste levenrichtlijn was exact gelijk aan art. 21 van de Eerste schaderichtlijn. Art. 25 van de Eerste levenrichtlijn luidde als volgt:
“1. Elke Lid-Staat staat de toegelaten ondernemingen toe hun verzekeringsportefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen indien de cessionaris, mede gelet op de overdracht, de vereiste solvabiliteitsmarge bezit. De betrokken toezichthoudende autoriteiten plegen onderling overleg alvorens deze overdracht goed te keuren.
2. Zodra de bevoegde toezichthoudende autoriteit deze overdracht heeft toegestaan, kan zij rechtens aan de betrokken verzekeringsnemers worden tegengeworpen.”
Een wijziging in het al bestaande wettelijke proces voor een overdracht van een portefeuille van levensverzekeringen (met als belangrijk onderdeel daarvan het verzetrecht) was dus niet nodig.
In de nieuwe Wet toezicht verzekeringsbedrijf werd na het hiervoor vermelde Hoofdstuk IV (dat gehandhaafd bleef uit de oude Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf) een nieuw Hoofdstuk IV A toegevoegd met de nieuwe artikelen 53a tot en met 53c over de portefeuilleoverdracht van levensverzekeringen. De nieuwe artikelen 53a tot en met 53c Wet toezicht verzekeringsbedrijf kwamen naar hun strekking overeen met de artikelen 34 tot en met 38 van de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923.5 Het belangrijkste verschil was ook hier dat er onder omstandigheden overleg nodig was met de toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat (zie art. 53b lid 1 dat verwijst naar het hiervoor vermelde art. 52 lid 2).
“HOOFDSTUK IV A Wet toezicht verzekeringsbedrijf
Overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van levensverzekering
Artikel 53a
1. Een verzekeraar kan zijn rechten en verplichtingen uit alle of een deel van de overeenkomsten van levensverzekering slechts bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer aan een andere verzekeraar overdragen.
2. In afwijking van het eerste lid is een verzekeraar bevoegd zijn rechten en verplichtingen uit een individuele overeenkomst van levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer over te dragen.
3. Met de overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle overeenkomsten van levensverzekering wordt gelijk gesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij fusie. De artikelen van dit hoofdstuk, behoudens de artikelen 53c, vierde lid, laatste volzin, en 53c, zesde lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53b
1. Op de aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Verzekeringskamer tot de overdracht is artikel 52, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de Verzekeringskamer aanvankelijk geen bezwaren heeft tegen het ontwerp van de tot de overdracht strekkende overeenkomst, geeft zij daarvan zo spoedig mogelijk na de ontvangst aan de verzekeraar kennis. Heeft zij aanvankelijk wel bezwaren, dan brengt zij deze bezwaren, met redenen omkleed, eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis van de verzekeraar.
Artikel 53c
1. Indien de Verzekeringskamer tegen het ontwerp aanvankelijk geen bezwaren heeft of nadat aan deze bezwaren is tegemoetgekomen, maakt de verzekeraar zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen bekend in de Nederlandse Staatscourant en op andere door de Verzekeringskamer in het belang van de polishouders te bepalen wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Verzekeringskamer vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken polishouders zich bij de Verzekeringskamer schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2. Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht hebben verzet, kan een overdracht niet volgen, ook niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht niet hebben verzet. De Verzekeringskamer doet daarvan mededeling aan de verzekeraar.
3. Heeft de Verzekeringskamer alsnog bezwaren tegen de overdracht, dan brengt zij deze bezwaren, met redenen omkleed, zo spoedig mogelijk na afloop van de gestelde termijn schriftelijk ter kennis van de verzekeraar.
4. Indien zich niet binnen de gestelde termijn polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, tegen de overdracht hebben verzet en tegen de overdracht ook bij de Verzekeringskamer geen bezwaren bestaan of aan deze bezwaren is tegemoetgekomen, verleent de Verzekeringskamer de verzekeraar schriftelijk toestemming tot de overdracht. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden.
5. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen heeft overgedragen maakt de overdracht bekend in de Nederlandse Staatscourant met vermelding van de datum waarop zij is geschied.
6. Op een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij is artikel 53, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
7. In dit artikel wordt onder verzekerd bedrag verstaan het verzekerd kapitaal, vermeerderd met tienmaal de verzekerde jaarlijkse renten.
8. Voor de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot uitkering gerechtigde. Indien de verzekeringnemer bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel B, of artikel 9 van de Pensioen- en spaarfondsenwet ontbreekt, wordt onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen.”
Er was echter nog een verschil, namelijk dat in deze wettelijke regeling tevens een bepaling was opgenomen met betrekking tot de overdracht van een individuele levensverzekeringsovereenkomst (art. 53a lid 2). Dat was in de oorspronkelijke regeling uit 1923 nog niet het geval. In de praktijk kwam ook de overdracht voor van een individuele overeenkomst op verzoek van de verzekeringnemer. De wettelijke procedure werd daarvoor onnodig geacht. Art. 53a lid 2 verbond hieraan echter wel de voorwaarde dat het verzoek tot zo’n overdracht moet blijken uit een schriftelijk stuk.6
De verwijzing naar de solvabiliteitsmarge werd ook hier bij de implementatie in de Nederlandse wet niet overgenomen, op basis van de visie dat de vereiste solvabiliteitsmarge van de verkrijgende verzekeraar niet het enige criterium voor de Verzekeringskamer kon zijn. In de Memorie van Toelichting werd gesteld dat de Verzekeringskamer in het algemeen slechts zal “kunnen toestemmen in een overdracht, indien de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt, geen afbreuk doen aan de belangen van degenen die direct of indirect bij de overdracht zijn betrokken”.7 Tegen die achtergrond is dan ook goed te begrijpen dat men ervoor koos in art. 53c lid 4 te bepalen, dat de Verzekeringskamer de verzekeraar schriftelijk toestemming tot de overdracht verleent als “tegen de overdracht ook bij de Verzekeringskamer geen bezwaren bestaan of aan deze bezwaren is tegemoetgekomen”.