Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.4.1
7.5.4.1 Internationaliteit
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436761:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG, C-281/02, Owusu/Jackson, r.o. 25. Zie over het intemationaliteitsvereiste C.A. Heinze & A. Dutta, `Ungeschriebene Grenzen fiir europffische Zustandigkeiten bei Streitigkeiten mit Drittstaatenbezug', IPRax 2005, p. 224-230.
Zie voor een genuanceerde uiteenzetting van dit vereiste: P. Kaye, Civil Jurisdiction and Enforcement of Foreign Judgments. The application in England and Wales of the Brussels Convention of 1968 on Jurisdiction and the Enforcement ofJudgments in Civil and Commercial Matters under the Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982, Abingdon, Oxford: Professional Books Limited 1987, p. 220225.
Vgl. A-G Léger, conclusie, C-281/02, nr. 164-165, 165: 'Al deze lastige vragen zouden zo goed als zeker zowel bij de procespartijen als bij de aangezochte rechter rijzen, wanneer artikel 2 van het verdrag alleen kon worden toegepast op een rechtsverhouding waarbij meerdere verdragsluitende staten zijn betrokken.'
Behalve de vraag naar de verenigbaarheid van forum non conveniens met het EEXVerdrag bevat Owusu ook belangrijke beschouwingen over het vereiste van internationaliteit of, zoals het Hof noemt, extraneïteit. De bevoegdheidsregels van het EEXVerdrag zijn alleen van toepassing in grensoverschrijdende geschillen.1 Het Hof verwerpt een enge uitleg van dit vereiste. Het vereiste van extraneïteit houdt niet in dat de zaak grensoverschrijdend is omdat het aanknopingspunten heeft met meerdere verdragsstaten (zgn. 'Reduktionslehre"2). Het vereiste van extraneïteit moet ruim worden uitgelegd, zodat de zaak reeds grensoverschrijdend is als het aanknopingspunten heeft met een verdragsstaat en een niet-verdragsstaat. Dit geldt ook voor de EEXVerordening. Waaruit moeten deze grensoverschrijdende aanknopingspunten blijken?3 Aan deze vraag besteedt A-G Léger in zijn conclusie voor Owusu enige aandacht, doch verliest hierbij uit het oog dat de door hem genoemde problemen welke criteria zijn van belang om te bepalen of de zaak binding heeft met twee verdragsstaten, zijn bepaalde criteria belangrijker dan andere, etc.? — zich niet alleen voordoen bij een enge maar ook bij een ruime uitleg van het vereiste van internationaliteit.4 In ieder geval is duidelijk dat de binding met staten uit een relevante aanknoping moet bestaan. Wanneer is een aanknopingspunt relevant? Laat men het antwoord hierop afhangen van de lex fori, dan riskeert men het gebruik van exorbitante aanknopingsfactoren zoals bijvoorbeeld de nationaliteit van de eiser (Frankrijk) of de tijdelijke aanwezigheid van de verweerder in de forumstaat (Verenigd Koninkrijk). Verdedigbaar is dat de binding met ten minste twee staten zal moeten bestaan uit aanknopingspunten waarop in het EEX-Verdrag resp. de EEX-Verordening rechtsmacht wordt gebaseerd, zoals bijvoorbeeld de woonplaats, de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis of de plaats van het schadebrengende feit. In het arrest Owusu hadden Owusu en Jackson beiden hun woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, maar de zaak werd geïnternationaliseerd doordat het schadebrengende feit zich in Jamaica had voorgedaan. Bovendien waren er in de procedure naast Jackson nog andere verweerders betrokken die hun plaats van vestiging in Jamaica hadden.