De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.10.2:I.3.10.2 Bepalingen inzake het parlementair vacuüm
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.10.2
I.3.10.2 Bepalingen inzake het parlementair vacuüm
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284957:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van den Bergh 1956, p. 7-8.
Van den Braak 1998, p. 282; Handelingen I 1956/57, 3, p. 37-47.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het betreft hier een voorstel uit 1956 inzake het tijdstip van aftreden van de leden van de Tweede en Eerste Kamer.1 In eerste lezing betrof het hier een initiatiefvoorstel van het Tweede Kamerlid Oud c.s. dat beoogde het tijdstip van aftreden van de oude Kamers en het aantreden van de nieuwe Kamers te laten samenvallen, opdat een parlementsloze periode zou worden voorkomen. Van den Bergh uitte kritiek op het voorstel. De regering zou volgens hem de betreffende voorgestelde bepaling kunnen misbruiken in een noodsituatie. In geval van het uitstellen van verkiezingen in het kader van een noodsituatie kon het zittende parlement gewoon aanblijven (want het voorstel beoogde een parlementair vacuüm tegen te gaan). Van den Bergh vond dat het niet mogelijk moest zijn dat de zittingsduur van het parlement kon worden verlengd door een beslissing van de regering. De bepaling zou kunnen worden misbruikt.2 Er was door de geschriften Van den Bergh twijfel ontstaan in de Eerste Kamer over de implicaties van het voorstel. De stemming was op 21 augustus 1956. Het voorstel haalde wél een gewone meerderheid, maar geen gekwalificeerde meerderheid in tweede lezing (achttien stemmen voor en zestien tegen).3