Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.3
4.3 Deel II: De oneigenlijke beleidsbepaler
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254428:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit deel behandelt en borduurt verder op hetgeen ik in Van Nuland 2017 heb uiteengezet.
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659, JOR 2007, 38 (Ontvanger/Roelofsen).
Enkele (meer) recente gevallen: Rb. Midden-Nederland 15 april 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1538; Rb. Limburg 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9345; Rb. Rotterdam 11 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:538; Hof Amsterdam 9 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:424; Hof Amsterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2013; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8596; zie ook Van Nuland 2017, p. 129-130.
Bestuurders van vennootschappen kunnen zowel in als buiten faillissement aansprakelijk zijn jegens derden op grond van onrechtmatige daad. Tot die derden kan ook de Ontvanger worden gerekend, zodat de bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn voor onbetaalde belastingschulden op grond van artikel 6:162 BW. Ook de curator die optreedt namens de gezamenlijke schuldeisers kan als een dergelijke derde worden aangemerkt.2 Voor het beoordelen van de aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van deze bepaling wordt een zogenaamde ‘verhoogde drempel’ gehanteerd. Zoals ik hierna nog zal toelichten is ondertussen vaste rechtspraak dat een bestuurder slechts aansprakelijk is voor verbintenissen van de rechtspersoon, indien de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.3 In toenemende mate zijn gevallen in de rechtspraak te ontdekken waarin ook een beleidsbepaler wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad, al dan niet met verwijzing naar de bepalingen die ik in het eerste deel van dit hoofdstuk besprak. In de inleiding van dit hoofdstuk heb ik het kenmerk weergegeven dat de (mede)beleidsbepaler, die wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad, onderscheidt. Anders dan de figuur die ik aanduid als eigenlijke beleidsbepaler, is bij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad geen sprake van een wettelijke bepaling die een beleidsbepaler gelijkstelt met een formele bestuurder. Ik noem deze figuur daarom de ‘oneigenlijke’ (mede)beleidsbepaler. In veel van deze gevallen wordt ten aanzien van de oneigenlijke beleidsbepaler de hiervoor bedoelde verhoogde drempel voor aansprakelijkheid opgeworpen door toepassing van de ‘ernstig verwijt’-maatstaf.4
De gesignaleerde trend in de rechtspraak doet meerdere vragen rijzen. Ten eerste de vraag of een (mede)beleidsbepaler van een rechtspersoon op grond van artikel 6:162 BW kan worden aangesproken voor verbintenissen van de vennootschap, ondanks het ontbreken van een gelijkstelling. Ten tweede de vraag of de kwalificatie van deze (mede)beleidsbepaler plaatsvindt en dient plaats te vinden langs dezelfde lijnen als de kwalificatie van een eigenlijke (mede)beleidsbepaler. Een derde vraag is of voornoemde ‘ernstig verwijt’-maatstaf en dus de hoge drempel voor aansprakelijkheid ook geldt ten aanzien van de (mede)beleidsbepaler die op grond van artikel 6:162 BW door individuele schuldeisers van de vennootschap wordt aangesproken. Deze drie vragen worden hierna behandeld. Ik zal eerst stilstaan bij de toepasselijkheid van artikel 6:162 BW op (mede)beleidsbepalers en de kwalificatie van deze figuur in dat verband. Vervolgens schets ik op hoofdlijnen de regels die gelden voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Ten slotte bespreek ik de te hanteren maatstaf ten aanzien van een (mede)beleidsbepaler.
4.3.1 De reikwijdte van artikel 6:162 BW4.3.2 Kwalificatie van de oneigenlijke (mede)beleidsbepaler4.3.3 Aansprakelijkheid insolventieadviseur4.3.4 Maatstaf voor aansprakelijkheid4.3.5 Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW en artikel 2:11 BW