Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.1:2.4.1 Toewijzingscriteria
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.1
2.4.1 Toewijzingscriteria
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955427:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Castermans & Nuninga, MvV 2020, afl. 12, p. 432; Van Nispen 1978, nr. 31; J. Drion, WPNR 1947, afl. 3992, p. 245-248.
HR 4 januari 1952, ECLI:NL:HR:1952:175, NJ 1953/158, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Johan de Witt/Heuvelmans); HR 11 februari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC3818, NJ 1996/405, m.nt. L. Hijmans van den Bergh, BIE 1966/33 (Schetselaar/Geigy).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor toewijzing van een verbod is vereist dat de gedaagde een rechtsplicht heeft jegens de eiser en dat er een reële dreiging is dat de gedaagde zijn rechtsplicht niet zal nakomen.1 Aan de verbodsvordering worden geen nadere (materiële) eisen gesteld, zoals toerekenbaarheid of schade.2 Uit het stelsel van de wet volgt daarnaast een (negatieve) voorwaarde, namelijk dat de eiser voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde verbodsvordering.
2.4.1.1 Reële dreiging van inbreuk2.4.1.2 Relativiteit2.4.1.3 Voldoende belang2.4.1.4 Discretionaire bevoegdheid en belangenafweging