Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.3.12
10.3.12 Conclusie
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS304980:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband eveneens: Koelemeijer 1999, p. 96; Koelemeijer & Hendriks 2012, p. 146; Timmerman 2003-2, p. 88. Ook Van den Ingh overweegt dat het stemgedrag van de aandeelhouder slechts tot strijd met het vennootschappelijk belang kan leiden wanneer zijn stem gewicht in de schaal werpt. Er moet sprake zijn van wezenlijke zeggenschap (Van den Ingh 2000, p. 207).
Evenzo: Huizink 2014 (Rechtspersonen), Art. 8, Aant. 2.4.
Juridisch gezien is geen sprake van daadwerkelijke doorbraak van de aansprakelijkheid, maar van het omzeilen van de beperkte aansprakelijkheid van de dochter (Bartman & Dorresteijn 2013, p. 289).
Dit leerstuk heeft zich vooral ontwikkeld aan de hand van de concernaansprakelijkheid. Zie in dit verband onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 834-845; Bartman & Dorresteijn 2013, p. 303-321; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 88; Lennarts 1999.
HR 25 september 1981, NJ 1982, 443 m.nt. Maeijer (Osby).
R.o. 18.
Zie in dit verband eveneens: HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487 m.nt. Van der Grinten (Albada Jelgersma II).
Bartman & Dorresteijn 2013, p. 305; HR 18 november 2011, LJN BQ2860.
De macht van de aandeelhouder heeft, evenals de omvang van het aandelenbelang, geen invloed op de vorming van het eigen belang. Het is echter wel één van de belangrijkste omstandigheden voor het bepalen van de mate van verantwoordelijkheid van de aandeelhouder en de beperking van de aandeelhoudersautonomie.1 Ook de eerste categorie omstandigheden, de omvang van het aandelenbelang, zal daarvan een belangrijk onderdeel uitmaken, maar er zijn meer relevante omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan (i) het soort aandelen dat wordt gehouden, (ii) de rechten die een aandeelhouder op grond van een overeenkomst toekomen, (iii) het kopen van stemmen, (iv) de instructiebevoegdheid en (v) het toekennen van aanvullende bevoegdheden. Ondanks deze algemene vuistregels is de macht van de aandeelhouder altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan ook de gemiddelde opkomst bij algemene vergaderingen van aandeelhouders en de specifieke, statutair vereiste, meerderheden die nodig zijn voor het nemen van bepaalde besluiten relevant zijn.
Het komt er kort gezegd op neer dat hoe meer macht de aandeelhouder heeft, des te meer verantwoordelijkheid hij heeft2 en hoe meer rekening hij dient te houden met het vennootschappelijk belang. Dit is het gevolg van het feit dat een aandeelhouder met een doorslaggevende positie in de algemene vergadering van aandeelhouders dichter bij die vergadering komt te staan en de algemene vergadering van aandeelhouders het vennootschappelijk belang dient te behartigen. Die individuele aandeelhouder kan zich dan in mindere mate verschuilen achter zijn individuele positie ten opzichte van de algemene vergadering van aandeelhouders als orgaan.
Deze gedachte wordt bevestigd in het leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid, meer specifiek de indirecte doorbraak3 van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).4 Het basisarrest in dit verband is het Osby-arrest,5 waarin door de Hoge Raad wordt overwogen:
‘Indien een moedermaatschappij alle aandelen in een dochtermaatschappij bezit en aan de dochter krediet heeft verstrekt en vervolgens de activa van de dochter, toekomstige inbegrepen, volledig of nagenoeg volledig van deze in zekerheidseigendom verwerft, aldus dat de dochter aan nieuwe schuldeisers die haar na de zekerheidsoverdracht krediet geven praktisch geen verhaal meer biedt, kan er, indien de moedermaatschappij nalaat zich de belangen van de nieuwe schuldeisers aan te trekken, onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad van haar jegens dezen. Met name zal dit zo zijn, indien de moeder een zodanig inzicht in en zeggenschap [onderstrepen, BK] over het beleid van de dochter heeft, dat zij, gelet op de omvang van haar vordering en van de zekerheidsoverdracht en het verloop van zaken in het bedrijf van de dochter, ten tijde van gedragingen als voormeld wist of behoorde te voorzien dat nieuwe schuldeisers zouden worden benadeeld bij gebrek aan verhaal, en desalniettemin nalaat zorg te dragen dat die schuldeisers worden voldaan.’6
Het inzicht en de zeggenschap is derhalve een belangrijke factor bij de vraag of een moedervennootschap aansprakelijk kan worden gehouden op grond van onrechtmatige daad.7 Bovendien mag dit inzicht en deze zeggenschap worden verondersteld aanwezig te zijn, wanneer de moedervennootschap binnen de juridische concernverhouding beslissende zeggenschap kan uitoefenen.8
Aandeelhoudersmacht kan onder omstandigheden ook gevolgen hebben voor de verantwoordelijkheid van de aandeelhouder tegenover een specifieke belanghebbende. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer prioriteitsaandelen zijn uitgegeven met het oog op de bescherming van een bepaald belang. De prioriteitsaandeelhouder zal – mijns inziens – in het bijzonder rekening moeten houden met dit belang. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gouden aandeel.
Aandeelhoudersmacht heeft, evenals aandeelhoudersbelang, weinig tot geen invloed op het vennootschappelijk belang, omdat het primair ziet op de mate van (interne) verantwoordelijkheid van de individuele aandeelhouder om binnen de algemene vergadering van aandeelhouders het vennootschappelijk belang te vertegenwoordigen. Het speelt geen, althans in de regel geen belangrijke, rol met betrekking tot het inkleuren van het vennootschappelijk belang. Het speelt bovendien geen rol bij de vorming van het eigen belang van de aandeelhouder.