Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.3.2
10.3.2 Het prioriteitsaandeel
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303768:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het is echter niet de bedoeling geweest om een materiële wijziging aan te brengen in het gebruik van prioriteitsaandelen (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 309 onder a).
Zie uitgebreider over prioriteitsaandelen: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 309; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 188 en 188.1; Slagter 2005, p. 267-268; Slagter/Assink 2013, p. 517-518; en ouder: Cremers 1971.
Zie voor een overzicht hieromtrent: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 643.
Kamerstukken II 1998/99, 26277, nr. 3, p. 9 (MvT).
Zie in dit verband onder meer: Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 188 en 188.1; Olaerts 2007, p. 283-284.
Asser/Maeijer 2000, nr. 287; Asser/Maeijer/Van Solinge & NieuweWeme 2009, nr. 383; Brenninkmeijer 1973, p. 127-128; Hendriks-Jansen 1982, p. 8; Olaerts 2007, p. 283-284.
Dit is één van de omstandigheden waarin er naast het vennootschappelijk belang tevens sprake is van een specifiek belang dat de aandeelhouder in ogenschouw dient te nemen, namelijk het belang dat behoort bij het oogmerk waarmee de prioriteitsaandelen zijn uitgegeven. Onder deze omstandigheden is er in essentie sprake van twee belangen waar de aandeelhouder een verantwoordelijkheid tegenover heeft, namelijk het vennootschappelijk belang en het belang dat in ogenschouw werd genomen bij het uitgeven van het prioriteitsaandeel tegenover het eigen belang zet.
Hendriks-Jansen 1982, p. 8.
HR 29 september 2006, NJ 2006, 639 m.nt. Maeijer. Zie in dit verband ook: hoofdstuk 6, paragraaf 6.1., voetnoot 4. Het betrof hier stemmen die aan het ‘meerderheidslid’ waren toegekend om in de toekomst bepaalde appartementen te realiseren. Deze stemmen maakten tezamen een groot deel uit van de stemmen die het ‘meerderheidslid’ hield (756 van de 817 stemmen). De ‘minderheidsleden’ klaagden dat het ‘meerderheidslid’ deze stemmen had gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij bestemd waren, namelijk voor de in de bovengenoemde voetnoot toegelichte besluiten en niet voor het realiseren van bepaalde appartementen.
R.o. 3.3.1.
Hier kan tegenin worden gebracht dat prioriteitsaandelen in de regel alleen bijzondere zeggenschapsrechten geven ten aanzien van bepaalde besluiten. Assink lijkt juist in het feit dat stemrechten in beginsel kunnen worden gebruikt bij de totstandkoming van elk besluit af te leiden dat zij niet slechts gebruikt kunnen worden om een bepaald belang te behartigen (Slagter/Assink 2013, p. 297).
De regeling betreffende het prioriteitsaandeel is neergelegd in artikel 2:92/201 lid 3 BW. Prioriteitsaandelen worden daarin omschreven als aandelen van een bepaalde soort (of in het geval van de besloten vennootschap ook bepaalde aanduiding)1 waaraan bijzondere rechten als in de statuten omschreven inzake de zeggenschap in de vennootschap zijn verbonden.2 Aan prioriteitsaandelen kunnen verscheidene zeggenschapsrechten worden toegekend.3 De aan de prioriteitsaandelen toegekende rechten mogen echter niet van een zodanige aard zijn dat het tot wijziging van de wettelijke verdeling van taken en bevoegdheden tussen de organen van de vennootschap zou leiden.4 Met het uitgeven van prioriteitsaandelen wordt regelmatig beoogd om de macht van de algemene vergadering van aandeelhouders te beperken, door (niet dwingendrechtelijke) bevoegdheden van de algemene vergadering over te dragen aan de prioriteitsaandeelhouders.5 Een prioriteitsaandeelhouder heeft derhalve in de regel verdergaande macht dan een ‘gewone’ aandeelhouder, welke macht zich kan vertalen in een verdergaande mate van verantwoordelijkheid jegens de vennootschap en het vennootschappelijk belang.
Niet alleen de verantwoordelijkheid van de aandeelhouder tegenover het vennootschappelijk belang wordt (mede) beïnvloed door het feit dat er sprake is van een prioriteitsaandeel. Het is ook relevant voor het antwoord op de vraag in hoeverre de aandeelhouder, die deze aandelen houdt, rekening dient te houden met het oogmerk waarmee deze aandelen zijn uitgegeven.6 Dit is een ander belang dat (bij deze omstandigheid) het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie beperkt.7 Zijn de aandelen uitgegeven met het oogmerk een bepaald belang te dienen, dan zal de aandeelhouder rekening dienen te houden met dit oogmerk wanneer hij zeggenschapsrechten uitoefent die verbonden zijn aan het prioriteitsaandeel.8 Dit oogmerk is echter niet altijd doorslaggevend. Dit lijkt te volgen uit het reeds aangehaalde The Mill Resort-arrest.9 Hier overwoog de Hoge Raad dat:
‘De enkele omstandigheid dat de stemmen met het oog op een bepaald belang aan de ontwikkelaar zijn toegekend, leidt niet ertoe dat de stemmen alleen mogen worden gebruikt om dat belang te dienen.’10
‘Lijkt’, omdat het hier geen prioriteitsaandelen betrof, maar om de stemmen van appartementseigenaren. Desalniettemin zou een dergelijke redenering mijns inziens analoog kunnen worden toegepast op prioriteitsaandelen.11 Het gebruiken van de bevoegdheden die voortvloeien uit het aandeel op een wijze die in strijd is met het doel waarmee die aandelen zijn uitgegeven leidt, volgens de Hoge Raad dus niet direct tot strijd met de redelijkheid en billijkheid. Aan de vraag of dit in verband moet worden gezien met het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie, komt de Hoge Raad niet toe.