Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3
4.3 De invloed van de algemeen verbintenisrechtelijke opzegregels
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855328:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze twee manieren van doorwerking hangen niet alleen samen met het feit dat ik de functie en rol van de redelijkheid en billijkheid als meer dan alleen een (algemene) gedragsnorm zie (vgl. Snijders, WPNR 2007/6693; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/1.3), maar ook – of misschien zelfs wel juist – met de juridische realiteit; ik bespreek namelijk vooral het jurisprudentiële kader.
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
Hiermee wijkt art. 7:400 lid 2 BW af van art. 6:248 lid 1 BW, waaruit juist blijkt dat tussen de verschillende rechtsbronnen geen hiërarchische verhouding bestaat. Dat leidt ertoe dat de bepalingen uit afd. 7.7.1 BW een bijzonder (zwakke) vorm van regelend recht zijn (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 311).
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 336; Pitlo-Croes e.a. 1995, p. 225. Ook Tjong Tjin Tai lijkt deze ruimte te zien, aangezien hij de uitschakelbepaling alleen zinvol acht voor kleine correcties in de algemene regeling van afd. 7.7.1 BW die niet op andere wijze kunnen worden bereikt, waarbij hij als voorbeeld de beëindigingsregeling (art. 7:408-411 BW) noemt (Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/48).
Dat afd. 7.7.1 BW ruimte laat voor aanvulling t.a.v. de opzegging, ligt ook voor de hand als wordt ingezoomd op de positie van de opdrachtnemer aan de onderkant: deze opdrachtnemer kan uit het niets zijn enige of hoofdzakelijke inkomstenbron kwijtraken, terwijl in afd. 7.7.1 iedere vorm van compensatie BW ontbreekt. Voor zo’n systeem valt weinig te zeggen, mede gezien de wijze waarop o.a. de arbeidsovereenkomst, agentuurovereenkomst en huurovereenkomst hiermee omgaan (zie par. 4.4).
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749 (Koersplan).
Tjong Tjin Tai, NJ 2016/450; Verburg, JOR 2018/140; De Vaan, JIN 2018/57.
Volledigheidshalve merk ik op dat de opdrachtnemer zich ook kan beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) als er wel ruimte voor aanvulling (art. 6:248 lid 1 BW) wordt gelaten. Een dergelijk beroep ligt echter niet voor de hand, omdat de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een veel strengere norm is.
Een deel van deze bevindingen heb ik eerder gepubliceerd (zie Van der Neut, TvO 2023/3.2).
Het algemene deel van het verbintenissenrecht (Boek 6 BW) kent, in tegenstelling tot de afdeling inzake de opdracht (zie paragraaf 4.2), geen wettelijke opzegregeling.1 Voor de algemeen verbintenisrechtelijke opzegregels moet de jurisprudentie erop worden nageslagen, waarin normen zijn ontwikkeld ten aanzien van (de inperking van) de opzegbevoegdheid, (het in acht moeten nemen van) een opzegtermijn en (het moeten betalen van) een opzegvergoeding. Deze normen, die de opdrachtnemer onder omstandigheden bescherming kunnen bieden, zijn gebaseerd op de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) en kunnen op twee manieren van rechtswege doorwerken op de opzegging door de opdrachtgever.2
Ten eerste kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, nadere eisen aan de opzegging worden gesteld. Dat geldt ook als de wet of overeenkomst voorziet in een opzegregeling, mits de wettelijke of contractuele opzegregeling daarvoor ruimte laat (artikel 6:248 lid 1 BW) én de rechtsverhouding aanvulling behoeft.3 Het gaat dan om de aanvulling van een leemte. De wettelijke opzegbevoegdheid van de opdrachtgever (artikel 7:408 lid 1 BW) laat in mijn ogen ruimte voor aanvulling op grond van artikel 6:248 lid 1 BW. Afdeling 7.7.1 BW kent immers een uitschakelbepaling (artikel 7:400 lid 2 BW), die er in de kern op neerkomt dat de regels uit afdeling 7.7.1 BW niet gelden als iets anders voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht, een andere rechtshandeling, of de gewoonte.4 Weliswaar wordt de redelijkheid en billijkheid niet expliciet genoemd in de uitschakelbepaling, maar uit de toelichting in de parlementaire geschiedenis blijkt dat ook de redelijkheid en billijkheid boven de aanvullende regels van afdeling 7.7.1 BW wordt gesteld.5 Dit geldt eveneens voor de opzegtermijn en de opzegvergoeding, die niet in afdeling 7.7.1 BW zijn gereguleerd, maar zeker ook niet zijn uitgesloten. In de parlementaire geschiedenis wordt namelijk rekening gehouden met het bestaan van beide componenten (zie paragraaf 4.2.2 en 4.2.3.2).6 De lacunes op het gebied van de opzegbevoegdheid, opzegtermijn en opzegvergoeding kunnen worden aangevuld als de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer dat behoeft.7 Anders gezegd: aan de opzeggingsregels die gelden voor de opzeggende opdrachtgever, kunnen onder omstandigheden nadere eisen worden gesteld. Die nadere eisen kunnen voor de opdrachtnemer mogelijk een beschermende werking hebben. Of een contractuele opzegregeling op zichzelf helder en volledig is óf ruimte voor aanvulling laat, is een kwestie van uitleg van de overeenkomst in het licht van de omstandigheden van het geval.8 Hierbij geldt in zijn algemeenheid dat een gedetailleerde contractuele opzegregeling zich minder snel leent voor aanvulling, omdat een dergelijke regeling doorgaans geen leemte kent om te worden aangevuld.9
Ten tweede kan een uit de wet of overeenkomst voortvloeiende opzegbepaling (geheel of gedeeltelijk) terzijde worden geschoven als de toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Wanneer sprake is van een algemene voorwaarde, kan deze worden vernietigd indien het beding wordt aangemerkt als onredelijk bezwarend (artikel 6:233 sub a BW). Als een opzegregel wordt vernietigd of terzijde wordt geschoven, kan een leemte ontstaan. Die leemte kan dan vervolgens worden aangevuld met een algemeen verbintenisrechtelijke opzegregel (artikel 6:248 lid 1 BW), voor zover de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer aanvulling behoeft. Naar de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) lijkt in dit verband pas te hoeven worden gekeken als partijen een contractuele opzegregeling zijn overeengekomen die ten aanzien van de opzegging door de opdrachtgever geen hiaten bevat. De opzegregels van afdeling 7.7.1 BW laten naar mijn overtuiging immers ruimte om direct aan te vullen op grond van artikel 6:248 lid 1 BW.10
In het vervolg van deze paragraaf bespreek ik wanneer welke algemeen verbintenisrechtelijke opzegnormen van invloed zijn op de opzegging door de opdrachtgever.11 Daarbij ga ik ook in op de wijze waarop deze normen de opdrachtnemer kunnen beschermen. De volgorde van onderwerpen is dezelfde als in paragraaf 4.2 en heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd: de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever wordt zelden beperkt (paragraaf 4.3.1), de opgezegde opdrachtnemer geniet bij de duurovereenkomst in principe de bescherming van een opzegtermijn (paragraaf 4.3.2) en de opdrachtnemer heeft sporadisch recht op een (aanvullende) (schade)vergoeding vanwege de opzegging door de opdrachtgever (paragraaf 4.3.3).
4.3.1 De opzegbevoegdheid van de opdrachtgever4.3.2 De opzegtermijn van de opdrachtgever4.3.3 De opzegvergoeding: de aanvullende (schade)vergoeding