Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/1.1.0
1.1.0 Inleiding
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285276:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 2, par. 3.1.
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 12.
Van den Berge 1949, blz. 112.
Zie bijvoorbeeld: het Wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, Kamerstukken II 2019/20, 35 447, nr. 2.
Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.
Verdrag van 18 december 2013 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA, Trb. 2014, 128.
Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Belastingwet BES in verband met de implementatie van Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (Pb EU 2014, L 359) en om uitvoering te geven aan de door de OESO ontwikkelde ‘Common Reporting Standard’ (Wet uitvoering Common Reporting Standard), Kamerstukken II 2014/15, 34 276, Stb. 2015, 537. Zie ook: Het Financieele Dagblad 7 juni 2019, Uitwisseling fiscale gegevens dringt belastingontduiking terug, https://fd.nl/economie-politiek/1304071/uitwisseling-fiscale-gegevens-dringt-belastingontduiking-terug (online, geraadpleegd op 11 juni 2019).
Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen over grensoverschrijdende rulings en verrekenprijsafspraken (Wet uitwisseling inlichtingen over rulings), Kamerstukken II 2015/16, 34 527, Stb. 2016, 543.
Art. 29b t/m art. 29h Wet VPB 1969 (Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2016), Kamerstukken II 2015/16, 34 305, Stb. 2015, 540). Het eerder afgewezen voorstel voor een publieke ’country-by-country reporting’ (persbericht Europese Commissie van 12 april 2016, nr. IP/16/1349, V-N 2016/34.4 en Het Financieele Dagblad 28 november 2019, EU-ministers verwerpen publieke belastingrapportage per land, https://fd.nl/economie-politiek/1326418/eu-ministers-verwerpen-publieke-belastingrapportage-per-land (online, geraadpleegd op 8 juni 2020)) werd begin 2021 weer nieuw leven ingeblazen (persbericht Europese Commissie van 3 maart 2021, nr. 156/21, V-N 2021/13.12).
Wet van 18 december 2019 (wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies), Kamerstukken II 2018/19, 35 255, Stb. 2019, 509.
Zie: persbericht Europese Commissie van 1 december 2020 (digitale platformen (DAC7)), nr. IP/20/2253, V-N 2020/65.15. In het persbericht wordt kort ingegaan op cryptoactiva en elektronisch geld (DAC8).
Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, Stb. 2007, 376.
De huidige fiscale geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR vindt haar oorsprong in de Wet VB 1892. Bij de parlementaire behandeling van die wet werd aangegeven dat het een feit van algemene bekendheid was dat van oudsher een grote weerstand bestond tegen openbaarmaking van vermogens. Om deze nieuwe vermogensbelasting niet impopulair te maken en de prikkel weg te nemen om een onjuiste aangifte te doen, stond tegenover de verplichting om volledige openheid van zaken te geven een strikte geheimhouding.1 Bij nadien ingevoerde geheimhoudingsbepalingen in andere belastingwetten is op deze gedachte voortgeborduurd. De geheimhouding in de Wet VB 1892 was weliswaar door de wetgever ingegeven vanuit het belang van de belastingplichtige, maar beoogde ook de belangen van de Belastingdienst te beschermen. Bij de herziening in 2008 van art. 67, eerste lid, AWR is de geheimhoudingsverplichting als volgt toegelicht:2
Gelet op de ruime wettelijke bevoegdheden die de Belastingdienst heeft om, soms privacy-gevoelige, informatie over belastingplichtigen te verzamelen, is de betekenis van de geheimhoudingsplicht groot. Naast het algemene belang van bescherming van persoonsgegevens gaat het om het belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.
Ondanks de ongewijzigde doelstellingen is sinds 1892 het gebruik van fiscale gegevens zowel binnen als buiten de Belastingdienst aanzienlijk toegenomen; van het vergaren van gegevens ten behoeve van de uitvoering van één specifieke materiële belastingwet voor één specifieke belastingplichtige naar het integraal, meervoudig gebruik van gegevens voor alle belastingwetten en ten behoeve alle belastingplichtigen. De fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR staat er dan ook niet aan in de weg dat fiscaal relevante informatie binnen de verschillende organisatieonderdelen van de Belastingdienst – voor zover zij zich bezig houden met de uitvoering van de belastingwet of de invordering van belastingen – wordt gebruikt ten behoeve van verschillende belasting-, administratie- en inhoudingsplichtigen en derden (zoals de fiscale rechtsbijstandverleners). Vanaf de Wet IB 1914 werden uitzonderingen op de geheimhouding, waarbij fiscale informatie werd verstrekt aan andere bestuursorganen ter bestrijding en/of voorkoming van misbruik of oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen, steeds gebruikelijker. Van den Berge sprak in 1949 over ‘het isolement der belastingtechniek’. Hij achtte dit isolement in beginsel onjuist maar constateerde dat de omstandigheden om gegevensuitwisseling tussen overheidsdiensten te verwezenlijken dit (nog) niet toelieten.3 Met name vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw nam deze gegevensverstrekking aanzienlijk toe. Het paste binnen de trend van integraal overheidsoptreden en de huidige één overheid-gedachte.4
Ook de internationale uitwisseling van fiscale gegevens heeft, zeker sinds het begin van deze eeuw, een enorme vlucht genomen. Veelal is dit ingegeven vanuit de gedachte om fraude, belastingontduiking en belastingontwijking tegen te gaan. Hierbij kan worden gedacht aan de (inmiddels ingetrokken) Europese Spaarrenterichtlijn,5 de ‘Foreign Account Tax Compliance Act’,6 de automatische gegevensuitwisseling onder de ‘Common Reporting Standard’,7 de afspraken over het uitwisselen van fiscale rulings,8 ‘country-by-country reporting’,9 de uitwisseling van potentiële ‘agressieve fiscale planningsconstructies’ met een grensoverschrijdend karakter10 of de uitwisseling van fiscale informatie over digitale platforms, cryptoactiva en elektronisch geld.11 Na de inwerkingtreding van de AWR in 1961 is de fiscale geheimhoudingsbepaling pas in 2008 herzien waarbij tegemoet werd gekomen aan de fundamentele kritiek op het tot 2008 bestaande ontheffingenstelsel.12 Dit vormde niet langer een adequate wettelijke grondslag voor verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst. Van een grondige, integrale herziening van andere knelpunten en hiaten is echter geen sprake geweest.