De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.6:II.4.6 Het debat aan het begin van de twintigste eeuw
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.6
II.4.6 Het debat aan het begin van de twintigste eeuw
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285037:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook: Sillen, RegelMaat 2020/6.
Krabbe 1906, p. 371-407.
Struycken 1928, p. 174-175.
Struycken 1928, p. 175.
Dat staat bij Struycken tegenover een subjectieve benadering waarbij de inhoud van die grondordening overeenkomt met de wil van bijvoorbeeld een vorst.
Struycken 1928, p. 176.
Sillen, RegelMaat 2020/6, p. 402-404.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het begin van de twintigste eeuw klonk er ferme kritiek op de Grondwet.1 Hugo Krabbe, hoogleraar staatsrecht in Groningen, viel in 1906 de zogenaamde ‘heerschappij der Grondwet’ aan.2 Krabbe zag een probleem in de eis van een gekwalificeerde meerderheid in de herzieningsprocedure, omdat nieuwe generaties geconfronteerd zouden worden met een regeling die zij niet met een gewone meerderheid konden veranderen. De hoogste rechtsbron moest een uitdrukking zijn van het rechtsbewustzijn van de meerderheid onder de bevolking en niet van die van eerdere generaties. Krabbe had enkele medestanders, waaronder Kleintjes.
Een voornaam criticus van Krabbe was Struycken (1873-1923). Bij deze invloedrijke hoogleraar en staatsraad valt vooral een historische invalshoek op de Grondwet te ontwaren. Het volgende citaat uit Het Staatsrecht van het Koninkrijk der Nederlanden is daarbij illustratief:
‘Voor zoover de afkeer voor de huidige Grondwet hare reden vindt in den oorsprong van de moderne constitutionele gedachte in den Revolutietijd, wordt tweeërlei voorbijgezien. Vooreerst, dat de constitutiegedachte der Revolutie, wat ook hare gebreken waren, een vooruitgang beteekende ten opzichte van het oude regiem, in zoover zij den vorm aan de hand deed, welke het oude regiem miste, om langs rechtskundigen weg de staatsorganisatie de ontwikkeling van de staatkundige postulaten in den volksgeest te doen volgen […].’3
Dit citaat verdient toelichting. Struycken had het hier over de afkeer van Krabbe. Krabbe c.s. uitten kritiek op de Grondwet en met name op de herzieningsprocedure; zij wilden de weg vrij maken voor ‘het rechtsbewustzijn’ van de bevolking, zie ook hierboven. Om twee redenen is deze opvatting aldus Struycken te beperkt. Ten eerste, de constitutiegedachte van de revolutie behelsde volgens hem ook de gedachte dat de rechtsregels die de grondstellingen van de staatkunde bevatten, deel uit gingen maken van de ‘volksgeest’. Voorafgaand aan de revolutietijd (in de achttiende eeuw) had de gedachte van juridisering van staatsmacht nog beperkt postgevat. Een grondwet zou deze juridische grondregels niet alleen verankeren; zij zou ook bijdragen aan de opname van deze regels onder de bevolking. Een andere reden stond in het volgende citaat:
‘Ten andere, dat de constitutioneele gedachte van den Revolutietijd, lijdende aan innerlijke tegenstrijdigheid, immers eene blijvende staatsrechtelijke orde willende bouwen op den grondslag der principieele ongebondenheid van het souvereine volk, evenzeer het uitgangspunt was voor eene ieder oogenblik door het volk te veranderen als voor eene zeer “rigide” grondwet, terwijl pas de negentiende eeuw deze tegenstrijdigheid heeft opgelost in de aanvaarding der objectiefrechtelijke constitutiegedachte, de erkenning eener objectieve, alle rechtsgenooten bindende grondordening van het staatsleven, zelve de vormen harer verdere ontwikkeling bepalende.’4
Struycken benadrukte in dit citaat dat met de Grondwet een objectieve en bindende grondordening in het leven geroepen is. Wat bedoelt Struycken met het begrip objectiefrechtelijk’? Een grondwet biedt een bindende grondordening voor ‘alle rechtsgenooten’. In die zin is een grondwet een objectief gegeven dat de kaders aangeeft, waaraan alle overheidsmacht is gebonden.5
Struycken koos daarbij voor een historische benadering. Hij had waardering voor de idee dat de Grondwet inmiddels een realiteit was geworden in het bewustzijn van het volk.6 De hoofdmomenten van de staatkundige ontwikkeling zijn in de Grondwet vastgelegd en deze worden zodoende door de Grondwet vanuit het verleden naar het heden en de toekomst gebracht. De Grondwet is zodoende verworden tot een begeleidend document ten behoeve van de staatsrechtelijke en staatkundige ontwikkeling en de continuïteit van het staatsbestel. In dat kader heeft de Grondwet een stabiliserende of waarborgende functie. De visie van Struycken kreeg uiteindelijk meer steun onder vakgenoten dan de radicale visie van Krabbe c.s. 7