Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.2.2
7.2.2 Vestiging
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264498:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Gessel-De Roo 1991, p. 112, art. 9; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 150, art. 2-3; art. 1802 WNH.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 120-121, art. 2 en de nota daarbij; Herman 1914, p. 116-118 en p. 124; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 150-151, art. 9, 11. art. 1809 WNH.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 121, art. 3-4 en p. 125, art. 19 sub a; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 150-151, art. 9, 11; Herman 1914, p. 124. art. 1811 WNH.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 110, art. 4; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 150, art. 5; art. 1805 WNH.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 110-111, art. 6; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 142, art. 8-9. art. 472-473 WNH; Pos 1970, p. 186-196.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 112, art. 13 en de nota daaronder.
Zie §3.4.5 en §4.4.5.
Zie §5.2.1 en §5.4.1.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 124-125, art. 18 aanhef en onder e.
Art. 1816-1817 WNH; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 151, art. 16-17.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 112-113, art. 12 en 14 en p. 118, art. 32; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 153, art. 33; art. 1826 WNH.
Dit gold niet als de pandhouder het onderpand vrijwillig afstond aan de pandgever: De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 152-153, art. 25; Van Gessel-De Roo 1991, p. 116, art. 27 onder a; art. 1822 onder 4 WNH, of als het pandrecht teniet ging op grond van derdenbescherming van een derde-verkrijger om baat: De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 153, art. 29; Van Gessel-De Roo 1991, p. 116, art. 27 onder a; art. 1827 WNH.
Het enige goederenrechtelijke zekerheidsrecht in het Ontwerp-Kreet, het Ontwerp-Van der Linden en het WNH was het pandrecht. Een pandrecht kon zowel rusten op roerende als onroerende goederen.1 Wie beschikkingsbevoegd was, kon een pandrecht vestigen. Een pandrecht op onroerende goederen kwam tot stand bij overeenkomst. Het pandrecht had echter pas derdenwerking op het moment waarop een akte was ingeschreven in een openbaar register. De wet duidde dit zekerheidsrecht ook wel aan als ‘hijpotheek’.2 Een pandrecht op roerende zaken kon slechts ontstaan door afgifte van het onderpand aan de pandhouder.3
Een pandrecht rustte op het goed waarop het was gevestigd. Daarnaast vielen vruchten en aanwassen van het verpande goed onder het pandrecht.4 Vruchten waren alles wat tot het verpande goed behoorde of uit dit goed voortkwam. Natuurlijke vruchten waren vruchten die de aarde zelf had voortgebracht, jongen van dieren en vruchten van nijverheid en landbouw. Burgerlijke vruchten waren huurpenningen, renten en interesten. Zo omvatte het begrip ‘vrucht’ vrijwel iedere mogelijke vorm van inkomsten uit een goed. Die inkomsten waren van rechtswege aan de pandhouder verpand.5
Totstandkoming van het recht van pandgebruik
Het Ontwerp-Kreet regelde de totstandkoming van een recht van pandgebruik in twee artikelen. Het artikel 13 bepaalde dat een recht van pandgebruik van rechtswege tot stand kwam als een vuistpandrecht rustte op een vruchtdragende zaak. Het artikel 18 vulde hierop aan dat partijen een beding van pandgebruik overeen konden komen waarin zij een nadere invulling gaven aan het recht van pandgebruik.
“Art. 13. Pandrecht met bezit gepaard geeft boven dien aan den pandhouder het vermogen, om de vruchten, renten, huurpenningen of andere inkomsten van het onderpand te ontvangen en onder zich te houden, ter verrekening tegen zijn inneschuld en daar van bedongene interessen;
En ook om bij nalatigheid van den eigenaar ‘t zelve te verhuren of anderzints, tot voordeel voor den eigenaar, daar over te beschikken.
Gelijk mede om de interessen van van verpande schuldbrieven, en ook wanneer die losbaar of opzegbaar zijn, de hoofdsom zelve in te vorderen, en te ontvangen, en zoo ook alle andere verpande inneschulden of rechten, zonder tot dat alles eenig bevel, volmacht of overdragt van den eigenaar nodig te hebben.
Doch van verpande tilbaare goederen, welke geen vrucht geeven, en door ’t gebruik slijten of in waarde verminderen kunnen, mag de pandhouder geen gebruik maaken.”
In de voetnoot hierbij schreef Kreet dat deze regeling afweek van de antichresis onder het ius commune. De door hem omschreven variant leek hem evenwel een billijker variant.6 Naar mijn mening week deze regeling echter helemaal niet af van het ius commune of het Rooms-Hollandse recht. Op grond van de regeling van Kreet kon een recht van pandgebruik stilzwijgend ontstaan. Dit stilzwijgende recht van pandgebruik had een aflossingsfunctie. Dit gold, zoals ik in de voorgaande hoofdstukken uiteen heb gezet, ook onder het ius commune en het Rooms-Hollandse recht.7 Deze regel geldt nog altijd in het Zuid-Afrikaanse recht.8 Wel wijkt deze regeling af van de betekenis van het woord antichresis onder het ius commune en het Rooms-Hollandse recht. Onder het ius commune en het Rooms-Hollandse recht duidde antichresis immers een recht van pandgebruik met rentefunctie aan. De regeling van Kreet kende, in afwijking van het woord antichresis, geen rentefunctie toe aan het recht van pandgebruik, maar een aflossingsfunctie.
Het andere artikel stond in het ontwerp over het pandrecht uit overeenkomst:
“Art. 18. Bij het geven van pandrecht mogen allerleij eerlijke voorwaarden gevoegd en bedongen worden, als bij voorbeeld: […]
e. Dat, de pandhouder van onroerend goed of ander vruchtgevend goed, de huurpenningen, vruchten, renten, of andere inkomsten of ook aflossingen van dezelve moet of zal invorderen en ontvangen om te strekken in mindering of voldoening der daar op gevestigde schuld en interessen, indien dezelve bedongen zijn; en, wanneer eenig verpand perceel uit der huur geraakt, ‘t zelve weder mag verhuuren, of tot een bepaalden of gerechtelijk (des noods) te bepaalen prijs, zelf in huure gebruiken, of alzulk ander beding, als de schuldeisscher en pandgever ten dezen op zichte zullen verkiezen te maaken.”9
De inhoud van het Ontwerp-Van der Linden en het WNH was wat betreft het recht van pandgebruik gelijk: de wetsartikelen over pandgebruik kwamen inhoudelijk overeen. Ik citeer uit het WNH:
“Art. 1816. Pandregt, met bezit gepaard, geeft aan den pandhouder het vermogen om de vruchten, renten of andere inkomsten van het onderpand te ontvangen en onder zich te houden, om tegen zijne schuldvordering, en de daar van bedongene interessen te verrekenen.
Art. 1817. Zelfs kan de pandhouder bedingen, dat hij, in plaats van de interessen te trekken, tot de afbetaling zijner schuld, het verpande goed gebruiken, of de vruchten daar van genieten zal; mits dat genot de wettige maat van interessen niet merkelijk te buiten gaat.”10
De aangehaalde artikelen uit het Ontwerp-Kreet, het Ontwerp-Van der Linden en het WNH laten het volgende zien. De pandhouder had van rechtswege al een pandrecht op de vruchten en aanwassen van een verpand goed. De artikelen 13 Ontwerp-Kreet en 1816 WNH (art. 16 Ontwerp-Van der Linden) vulden hierop aan dat een pandhouder bevoegd was om deze vruchten, als de inkomsten die verbonden waren aan een goed, te innen. De waarde van de vruchten kwam in mindering op de gesecureerde vordering. Partijen konden deze bevoegdheid nadere invulling geven in de pandovereenkomst, zo volgt uit art. 18 Ontwerp-Kreet en art. 1817 WNH (art. 17 Ontwerp-Van der Linden). Een recht van pandgebruik kwam niet van rechtswege tot stand als een pandrecht rustte op goederen die geen vruchten droegen of door gebruik in waarde daalden.
Het pandrecht was een goederenrechtelijk recht. De pandhouder kreeg een goederenrechtelijke actie tegen iedere bezitter van het verpande goed. Met deze actie kon de pandhouder afgifte van het onderpand en de vruchten en ‘aankomsten’ vorderen.11 Dit betekende dat de pandhouder, op grond van het goederenrechtelijke karakter van zijn pandrecht, ook het recht van pandgebruik tegen derden kon handhaven. Hij kon het onderpand en de bijbehorende (van rechtswege mee verpande) vruchten van eenieder opeisen.12 Zodoende kon de pandhouder, zoals in het Romeinse recht, zijn recht van pandgebruik geldend maken op grond van het pandrecht.