Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.4.2.5
6.4.2.5 Subjectieve kennis
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713184:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Katan 2017, nr. 38.
Overigens zijn de āconcrete aanwijzingenā die nodig zijn voor het aannemen van een onderzoeksplicht ook een vorm van subjectieve kennis.
Bij de opzettelijke schadetoebrenging gaat het om het willens en wetens en zonder redelijke grond toebrengen van schade aan een ander. Zie ook: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.2.5 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020). Niet onrechtmatig is bijvoorbeeld de (gerechtvaardigde) concurrentiestrijd tussen twee ondernemingen.
Katan 2017, nr. 40.
Hierdoor is met de onrechtmatigheid doorgaans ook de toerekenbaarheid gegeven.
Jansen, NTBR 2007/6, p. 222 e.v.; Jansen 2012, par. 4.2.17; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/74; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 9.1.6 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020).
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.5.2 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020); Verheij 2023/2.22. Aansprakelijkheid wegens nalaten doet zich voor als er voorafgaand aan het nalaten een plicht tot handelen is. Zie over deze plicht o.a.: Eggens 1950 (1998), p. 366 en 372; Scholten 1914 (1954), p. 143; Wolfsbergen 1946, p. 19-20; Van Dam 1995; Giesen 2004, p. 6; Tjong Tjin Tai 2006, p. 160 e.v.; Tjong Tjin Tai, NJB 2007/2071;Van Dam 2020, nr. 214, p. 88 e.v.; In het geval van zuiver nalaten is deze plicht gelegen in gevaarsbewustzijn of de aanwezigheid van een bijzondere zorgrelatie.
Van Dam 2020, nr. 214, p. 88 e.v.
HR 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503, NJ 1975/149, m.nt. G.J. Scholten (Struikelende broodbezorger); Tjong Tjin Tai 2006, p. 161. Een dove kan immers ook niet verweten worden dat hij niet heeft gehandeld naar aanleiding van hulpgeroep: Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6. Boek 6 1990, p. 1349-1351.
HR 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503, NJ 1975/149, m.nt. G.J. Scholten (Struikelende broodbezorger); Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.3.5 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020).
Tjong Tjin Tai 2006, p. 162.
Van Dam 1995.
Tjong Tjin Tai 2006, p. 163.
Jansen 2012, p. 436 e.v.
HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2536, NJ 1999/285, m.nt. W.M. Kleijn (MeesĀPierson/Ten Bos). Een voorbeeld is HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289, m.nt. M.R. Mok (Safe Haven). In deze zaak konden de concrete aanwijzingen van dreigend gevaar wel worden vastgesteld. De rechter stelde vast dat de bank over (subjectieve) kennis beschikte dat de directeur van Safe Haven beleggingsactiviteiten ontplooide, omdat sprake was van ongebruikelijk betaalverkeer op de rekening van Safe Haven (het ging om grote bedragen met omschrijvingen als āinlegā) en omdat uit verklaringen van bankmedewerkers en beleggers bleek dat de bank na het openen van de rekening bekend moet zijn geraakt met beleggingsactiviteiten. Zie ook de uitspraak van het gerechtshof, r.o. 4.29, voorafgaand aan dit arrest en de bijbehorende conclusie van de A-G, punt 5.7-5.9.
Concl. A-G Wissink, punt 2.5 bij: HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Ponzi-zwendel).
Concl. A-G onder punt 3.1 bij HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Ponzi-zwendel); zie ook het vonnis van de rechtbank, r.o. 4.14.
HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Ponzi-zwendel), r.o. 4.6 (curs. TdW-vdL).
Jansen, NTBR 2016/31.
Vandaar dat een zaak als Ponzi-zwendel (HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai) door sommige auteurs gezien wordt als toepassing van objectieve kennis (Katan 2017, nr. 46; ook de annotatie van Tjong Tjin Tai onder het arrest lijkt hier op te wijzen), terwijl andere auteurs er een relativering van het subjectieve kennisvereiste in zien (Jansen, NTBR 2016/31).
Jansen 2012, p. 534. Zie ook zijn verwijzing naar Van Schilfgaarde (noot 17).
Conclusie A-G onder punt 6.53 bij HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Ponzi-zwendel). Hiermee lijkt de kennispresumptie ook ingekleurd te worden door de bancaire zorgplicht. Vgl. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. aant. 6.3.9.7 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020); HR 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503, NJ 1975/149, m.nt. G.J. Scholten (Struikelende broodbezorger).
Concl. A-G Valk, punt 3.8, bij: HR 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1447, JOR 2020/54, m.nt. C.J. van Groffen (Van Boekel/De Salaire).
Bij subjectieve kennis gaat het erom wat de concrete laedens daadwerkelijk wist. De kennis wordt niet geobjectiveerd. Dit betekent dat de laedens in beginsel geen onderzoeksplicht heeft,1 want een onderzoeksplicht impliceert dat de laedens iets niet wist, maar wel behoorde te weten. Subjectieve kennis is in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht slechts in uitzonderingsgevallen van belang voor het vaststellen van de onrechtmatigheid.2 In het gevaarzettingsleerstuk gaat het dan bijvoorbeeld om het geval van de opzettelijke schadetoebrenging.3 Opzettelijk handelen veronderstelt een sterk bewustzijn van de negatieve gevolgen van de handeling en een wil om dit niet te voorkomen.4 Dit sterke bewustzijn vraagt om subjectieve kennis van die gevolgen. De opzet ā een subjectief element5 ā is onderdeel van de norm.6
Een ander voorbeeld is het leerstuk van zuiver nalaten. Zuiver nalaten is het laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie die de laedens niet zelf in het leven heeft geroepen en waarvoor de laedens vanwege de afwezigheid van een bijzondere zorgplicht niet verantwoordelijk was.7 Het is vergaand als een laedens aansprakelijk wordt gehouden wegens de verwezenlijking van een gevaar dat hij niet zelf in het leven heeft geroepen. Vanwege de ingrijpende invloed op de partijautonomie moet terughoudend worden omgegaan met aansprakelijkheid wegens (zuiver) nalaten. Voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden: de laedens moet ten eerste kennis hebben van de plicht tot handelen.8 Anders dan bij aansprakelijkheid wegens een onrechtmatige handeling, is voor aansprakelijkheid wegens nalaten subjectieve kennis nodig van deze plicht tot handelen.9 In het geval van zuiver nalaten is dit subjectief kennisvereiste nog meer aangescherpt: er moet sprake zijn van een zeker gevaarsbewustzijn.10 Ten tweede is nodig dat de laedens bepaalde kwaliteiten (ākundeā) heeft om te kunnen handelen.11 Ten derde speelt de bezwaarlijkheid van de maatregelen een rol. Ten vierde dient de laedens zich bewust te zijn van de afwezigheid van kennis en kunde bij de (potentiĆ«le) gelaedeerde.12 Ten vijfde moet sprake zijn van een zekere afhankelijkheid en nabijheid van de gelaedeerde en de laedens. Er moet, met andere woorden, een zorgbehoefte hebben bestaan.13 Ten vijfde moet de dreiging van ernstig letsel aanwezig zijn.14
In het geval dat de laedens een bijzondere relatie had met de dader of de schadetoebrengende zaak, of met het slachtoffer of de zaak waaraan schade is toegebracht, is gevaarsbewustzijn niet vereist. In dat geval kan aansprakelijkheid ook worden gevestigd, indien de laedens het gevaar weliswaar niet zelf in het leven had geroepen, maar wel een bijzondere zorgrelatie had en het gevaar behoorde te kennen. Deze zorgrelatie vormt dan de achterliggende reden voor een vergaande zorgverplichting. Een voorbeeld is de aansprakelijkheid van de financiƫle onderneming jegens (toekomstige) cliƫnten. In sommige gevallen is gevaarsbewustzijn vereist, maar kan dit gevaarsbewustzijn worden verondersteld. Er worden dan minder strikte eisen gesteld aan het bewijs omtrent dit gevaarsbewustzijn. Illustratief is de rechtspraak over de zorgplicht van de financiƫle onderneming jegens derden ingeval van illegaal vermogensbeheer.15 Uit het Ponzi-zwendel arrest blijkt dat dergelijke subjectieve kennis niet concreet hoeft te worden vastgesteld, maar kan worden verondersteld.
Het arrest Ponzi-zwendel betrof het volgende. Een voormalig directeur van twee beleggingsondernemingen (āv.d. Bā) ging zelf over op vermogensbeheer, zonder dat hij beschikte over de daartoe vereiste vergunningen. Zijn cliĆ«nten beloofde hij zeer hoge rendementen. Een (groot) deel van de inleg gebruikte hij niet om mee te beleggen, maar wendde hij aan om andere beleggers te betalen. Een groot deel van de beleggers heeft nooit meer iets teruggezien van hun inleg of de beloofde rendementen. Voor deze zwendel heeft v.d. B. gebruik gemaakt van bankrekeningen van de Fortisbank. Op deze bankrekeningen werden zeer hoge bedragen gestort en overgeboekt naar andere rekeningen. Deze overboekingen gingen in sommige gevallen gepaard met een omschrijving als āinlegā, āleningā, āschuldbekentenisā, ābeleggingā of āwarrantā.16 Ook waren er meerdere contactmomenten tussen v.d. B. en bankmedewerkers over de betaalopdrachten. Op enig moment heeft de Fortisbank bericht gekregen van de AFM dat v.d. B. mogelijk handelde in strijd met de Wte, omdat hij mogelijk niet beschikte over de vereiste vergunningen. Naar aanleiding hiervan heeft de Fortisbank de rekeningen van v.d. B. opgeheven. In deze procedure werd de bank verweten niet tijdig in actie te zijn gekomen.17 De vraag was of de bank een onderzoeksplicht had geschonden. Het hof oordeelde dat de bank wist van het ongebruikelijke betalingsverkeer en daarmee van de omstandigheid dat v.d.B. beleggingsactiviteiten ontplooide. Om deze aanwijzingen op waarde te kunnen schatten, moest de bank weten dat voor vermogensbeheer een vergunning nodig was op grond van de Wte. Deze kennis werd de bank toegerekend. Het hof oordeelde dat de bank zich daarom behoorde te realiseren dat in strijd met de Wte werd gehandeld en daarom had moeten onderzoeken of v.d.B. over de vergunning beschikte. Tegen deze laatste overweging werd in cassatie opgekomen. Het cassatiemiddel klaagde erover dat de bank zich daadwerkelijk had moeten realiseren dat in strijd met de Wte werd gehandeld alvorens een onderzoeksplicht kon worden aangenomen. Een behoren te realiseren was niet voldoende. De Hoge Raad casseerde op dit punt niet en las de overweging van het hof anders:
āVan de Bank kon worden gevergd dat zij tot onderzoek zou overgaan indien zij wist van het ongebruikelijke betalingsverkeer en de bijbehorende omschrijvingen op de rekeningen van v.d.B., hetgeen wees op beleggingsactiviteiten. Daarbij heeft het hof kennelijk mede acht geslagen op de bijzondere omstandigheden van dit geval, waaronder de hoedanigheid van v.d.B. als particuliere rekeninghouder en de ongebruikelijke omvang van de activiteiten op zijn rekeningen (vermeld in rov. 45). Aan het oordeel van het hof ligt voorts kennelijk mede ten grondslag dat van een bank, gelet op haar functie in het maatschappelijk verkeer en haar specifieke deskundigheid op het gebied van financiĆ«le dienstverlening, mag worden verondersteld dat zij ervan op de hoogte is dat voor beleggingsactiviteiten een vergunning kan zijn vereist (rov. 54, vierde en vijfde volzin). Aldus is voor het oordeel van het hof alleen datgene bepalend geweest waarvan de Bank zich bewust was, te weten de ongebruikelijke (beleggings)activiteiten op de rekeningen van v.d.B. Bewustheid van het daaraan verbonden āgevaarā bij de Bank is, gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, door het hof verondersteld.ā18
Zoals het gecursiveerde deel toont, was volgens de Hoge Raad gevaarsbewustzijn vereist. Dit bewustzijn werd verondersteld. Jansen noemt dit een kennispresumptie.19 Deze veronderstelling van subjectieve kennis lijkt veel op objectivering van het kennisvereiste.20 Jansen wijst terecht op de vage grens tussen objectieve en subjectieve kennis:
āInderdaad kan dat onderscheid worden gerelativeerd, in die zin dat het hier goed beschouwd een drietal in elkaars verlengde liggende kennisgradaties betreft, die een opklimmende mate van objectivering vertonen.ā21
De ratio van een dergelijke veronderstelling van subjectieve kennis vond A-G Wissink in Ponzi-zwendel nog in het feit dat de bank āgeen willekeurige derde is ten aanzien van het betalingsverkeerā. De bank had als het ware de zwendel gefaciliteerd.22 De Hoge Raad ging echter niet zo ver en vond de rechtvaardiging in de specifieke (maatschappelijke) positie en deskundigheid van de bank. Ook A-G Valk stelt in zijn conclusie bij een andere zaak dat een dergelijke kennispresumptie afhankelijk is van onder andere de omvang van de zorgplicht van de opdrachtnemer, zijn functie in het maatschappelijk verkeer en zijn deskundigheid. 23