Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.4
15.4 Certificering en box 3- kwalificatie en -vrijstellingen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232920:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daarmee is naar mijn mening sprake van een onvolkomenheid vallend in categorie 2(b).
Men zou hier anders over kunnen denken indien sprake is van een splitsing van de juridische eigendom die niet door betrokkenen zelf in het leven is geroepen, hetgeen zich vermoedelijk met name voor zal doen indien krachtens testament aan één verkrijger het vruchtgebruik is gelegateerd en aan de andere de bloot eigendom. Om een voorziening de treffen voor dergelijke situaties is echter een gedetailleerde regeling nodig, althans indien men bijvoorbeeld de situatie dat het vruchtgebruik gekocht is van een derde niet wil vrijstellen. De keuze om slechts aan te sluiten bij volle eigendom om redenen van eenvoud is mijns inziens wel te rechtvaardigen. Overigens komt de situatie van een erfrechtelijk vruchtgebruik gezien de defiscalisering van artikel 5.4 Wet IB 2001 vermoedelijk in de meeste gevallen toch binnen het bereik van de vrijstelling.
Derhalve is sprake van een onvolkomenheid in categorie 3(a).
In paragraaf 13.4.3.1 is reeds besproken dat het mijn voorkeur zou hebben indien, als de certificaathouder economisch eigenaar is van het gecertificeerde vermogen, voor de forfaitaire heffing in box 3 aangeknoopt zou worden bij dit gecertificeerde vermogen in plaats van bij de certificaten. Dit heeft gevolgen voor de waardering van de certificaten, maar ook voor de vrijstellingen, aangezien deze dan naar mijn mening van toepassing zouden moeten zijn. Indien gekeken wordt naar het certificaat, is het ook het certificaat dat gewaardeerd dient te worden, waarbij de waarde in het economische verkeer van het certificaat lager kan zijn dan die van het gecertificeerde goed. Ook is het certificaat dan het uitgangspunt voor de toepassing van eventuele vrijstellingen. In dit verband heb ik geconstateerd dat er weliswaar aanknopingspunten zijn voor deze benadering, maar dat in wezen hierover geen duidelijkheid bestaat. Het ontbreken van deze duidelijkheid kan men beschouwen als een knelpunt. Dit knelpunt wordt mijns inziens in elk geval ten dele veroorzaakt door een onvolkomenheid in de wetgeving: weliswaar is economische eigendom een in de jurisprudentie ontwikkeld concept, dat waar voor de directe belastingen (nagenoeg) geen regelingen in de wet zijn opgenomen, maar de genoemde onduidelijkheid in de fiscale behandeling van certificaten in box 3 wordt mede veroorzaakt door de zeer restrictieve interpretatie die de staatssecretaris aan het begrip “zaak” geeft in de context van box 3, welke interpretatie in het geval van economische eigendom tot de geconstateerde onduidelijkheid leidt. Zonder deze interpretatie zou het concept economische eigendom zonder veel problemen toe te passen zijn in de context van box 3.1
Waarover geen onduidelijkheid bestaat, is het standpunt van de staatssecretaris ter zake van de toepassing van box 3-vrijstellingen in geval van certificering: hij hanteert een zeer restrictieve interpretatie van de vrijstellingen en hij heeft ook expliciet aangegeven dat de vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap niet toe te passen is op certificaten. In hoeverre dit als zodanig als een knelpunt te beschouwen is, hangt naar mijn mening af van de omstandigheden. De wetgever heeft met de vrijstellingen een bepaald handelen willen stimuleren, zoals het bezit van kunst en van landgoederen, en het uitgangspunt, dat deze vrijstellingen slechts beschikbaar zijn voor de eigenaar van dergelijke zaken en niet tevens voor personen die slechts een recht op c.q. afgeleid van de waarde van de zaak hebben, komt mij niet als onredelijk voor. In het tweede geval wordt het met de vrijstelling nagestreefde doel in beginsel2 niet gediend.
Wel dient naar mijn mening de certificaathouder, die economische eigenaar van het gecertificeerde vermogen is, op dezelfde wijze behandeld te worden als de juridisch eigenaar. Uit verschillende arresten volgt mijns inziens dat het concept, dat de economische eigenaar wordt beschouwd als fiscale eigenaar, ook te gelden heeft in box 3. Het gevolg daarvan is, dat voor de box 3-heffing het gecertificeerde vermogen in aanmerking genomen dient te worden en niet het certificaat. Logischerwijs kunnen dan ook de box 3-vrijstellingen van toepassing zijn. Het niet kunnen toepassen van de vrijstellingen kan dan beschouwd worden als een knelpunt: degene die om civielrechtelijke redenen certificering wil inzetten voor de bescherming van vermogen, wordt daarvan mogelijk weerhouden omdat dit een significante hogere belastingheffing tot gevolg heeft. Dit knelpunt is naar mijn mening het gevolg van een onvolkomenheid in de wetgeving: de zeer restrictieve interpretatie heeft voor een belastingplichtige die geen vrijstelling geniet, terwijl hij economisch in dezelfde positie verkeert als een juridische eigenaar die deze vrijstelling wel krijgt, een onredelijk en ongerijmd effect.3 Indien de certificaathouder echter geen economisch eigenaar is en derhalve wel naar het certificaat gekeken wordt, komt het mij gezien de achtergrond van de vrijstellingen niet als bezwaarlijk voor dat deze niet beschikbaar zijn. De positie van deze certificaathouder is, in tegenstelling tot die van de certificaathouder – economisch eigenaar, niet (fiscaal) hetzelfde als die van de juridische eigenaar van het goed.
Het eerste knelpunt, onduidelijkheid over de fiscale behandeling, kan worden opgelost door in de wet te regelen hoe certificaten van box 3-vermogen fiscaal behandeld worden. Daarbij zou naar mijn mening geregeld dienen te worden dat een certificaathouder met economische eigendom op dezelfde wijze behandeld wordt als de juridische eigenaar. Dat neemt dan tevens het tweede knelpunt weg. Een mogelijkheid is om hiertoe in hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 een bepaling op te nemen die het voorgaande regelt. Men is er echter ook met invoering van de door mij in paragraaf 15.3.3 voorgestelde regeling voor het genietingsmoment en het verhaalsrecht voor de certificaathouder: deel van het voorstel is om voor het bepalen van de omvang van de heffing te doen alsof de certificaathouder rechtstreeks rechthebbende is op het gecertificeerde vermogen. Dat impliceert behandeling als juridisch eigenaar en daarmee de mogelijkheid om de box 3-vrijstellingen toe te passen.
Het voorgaande zou dan overigens ook gelden voor de certificaathouder – niet-economisch eigenaar, omdat mijn voorstel geen onderscheid maakt tussen beide situaties. Hoewel ik het niet kunnen toepassen van de box 3-vrijstellingen in dit laatste geval niet als een knelpunt beschouw, heb ik er ook geen bezwaar tegen om de vrijstellingen ook in dit geval toe te passen. Hoewel niet volledig, heeft ook deze certificaathouder een groot economisch belang bij het gecertificeerde vermogen. De behandeling van de certificaathouder – niet-economisch eigenaar als juridisch eigenaar heeft bovendien ook een keerzijde: het voordeel van een eventueel verschil in waarde in het economische verkeer tussen het certificaat en het gecertificeerde vermogen valt weg. Het is logisch en consistent om deze certificaathouder dan tevens het voordeel van de box 3-vrijstellingen toe te kennen.