Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.0
5.7.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434204:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 42 (MvT).
Kamerstukken //1999/00, 26 855, nr. 3, p. 41 (MvT). Zie over de kwestie van bewijs: Ktg. Amsterdam 5 januari 1996, IVIPR 1996, 145 (rapport van Amnesty International); Rb. Rotterdam 4 juni 2003, NIPR 2004, 158 (inlichtingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag).
In deze zin Strikwerda (2004), nr. 10, die het relatieve forum necessitatis omschrijft als de mogelijkheid dat de rechter zich, hoewel geen regel van internationaal bevoegdheidsrecht hem bevoegd verklaart, zich toch bevoegd mag achten, 'indien de zaak zo nauw verbonden is met de rechtssfeer van het land van de rechter dat van procespartijen in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij elders procederen (...).'
Zie voor een eigen voorstel voor een forum necessitatis-regeling, hoofdstuk 9.
Kenmerkend voor het relatieve forum necessitatis (art. 9 sub c Rv) is dat de Nederlandse rechter rechtsmacht uitoefent omdat het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij zich onderwerpt aan het oordeel van een bevoegde rechter in het buitenland of een procedure die bij deze rechter aanhangig is voortzet. De eiser zou voor het verkrijgen van een buitenlands vonnis een bovenmatige inspanning moeten leveren die redelijkerwijs van hem niet kan worden gevergd. Dit kan verschillende redenen hebben. Het land verkeert in oorlog of wordt geteisterd door een natuurramp. Of er is gegronde vrees dat de eiser in de buitenlandse procedure geen eerlijk proces zal krijgen, omdat de rechter niet onafhankelijk en onpartijdig is. Voor het relatieve forum necessitatis is niet vereist dat procederen in het buitenland onmogelijk, doch slechts bezwaarlijk is. Als de gerechten in een bepaalde staat feitelijk niet functioneren, vanwege oorlog of natuurramp, dan volgt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter reeds uit art. 9 sub b Rv. Maar als de gerechten ondanks oorlog of natuurramp geheel of gedeeltelijk functioneren, volgt geen rechtsmacht uit art. 9 sub b Rv, omdat een gerechtelijke procedure feitelijk mogelijk is. In dat geval kan de Nederlandse rechter wel rechtsmacht ontlenen aan art. 9 sub c Rv, nu van de eiser niet gevergd kan worden zich tot de gerechten van het desbetreffende land te wenden. Bij het relatieve forum necessitatis (art. 9 sub c Rv) gaat het steeds om de beoordeling van de omstandigheden van het geval. Voor een grote onderneming kan het anders liggen dan voor een particulier.1 Wat voor een particulier bezwaarlijk is, behoeft dat niet ook per se te zijn voor een onderneming.
Ook voor deze vorm van forum necessitatis geldt dat de vaststelling van de bezwaarlijkheid om in het buitenland te procederen beperkt moet worden tot relevante fora. Hetgeen hieromtrent bij de behandeling van art. 9 sub b Rv is opgemerkt (par. 5.6.2), geldt op gelijke wijze voor art. 9 sub c Rv. De omstandigheden die tot de afgezwakte vorm van forum necessitatis aanleiding kunnen geven, moeten door de eiser worden gesteld en zonodig worden bewezen.2 Indien geen sprake is van volstrekte onmogelijkheid maar slechts van bezwaarlijkheid om in het buitenland te procederen, stelt art. 9 sub c Rv de aanvullende voorwaarde dat de zaak voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer heeft. De verbondenheidstoets is een aanvullende voorwaarde. Primair gaat het om de onaanvaardbaarheid. In dit opzicht lijkt art. 9 sub c Rv niet geheel goed geredigeerd te zijn. In het artikel staat de aanvullende voorwaarde van verbondenheid vóór de zinsnede over de onaanvaardbaarheid. Hierdoor lijkt het alsof het primair gaat om de verbondenheid en dat de onaanvaardbaarheid slechts een aanvullende voorwaarde is.3 Naar mijn mening dient het element van de bezwaarlijkheid om elders te procederen centraal te staan, terwijl de verbondenheid van de zaak met Nederland slechts als aanvullende voorwaarde heeft te gelden. De strekking van art. 9 sub c Rv zou veel beter tot uitdrukking komen als de volgorde van beide voorwaarden (bezwaarlijkheid en verbondenheid) omgewisseld zou worden.4