Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.7:5.7.7 Executieperikelen; Rb. 's-Gravenhage 31 augustus 2005, NIPR 2006, 56
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.7
5.7.7 Executieperikelen; Rb. 's-Gravenhage 31 augustus 2005, NIPR 2006, 56
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS432992:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De vraag naar de grensoverschrijdende bevoegdheid laat ik hier verder rusten. Zie daarover HR 19 maart 2004, RvdW 2004, 51, Philips/Postech.
Anders nog Voorontwerp van Wet, MvT, April 1993, p. 34. In deze zin ook de stelling van eisers in Rb. 's-Gravenhage, Sec. Kanton 27 augustus 2003, NIPR 2003, 271 en in Rb. 's-Gravenhage 31 augustus 2005, NIPR 2006, 56.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Rb. ' s-Gravenhage 31 augustus 2005, NIPR 2006, 56, vorderen de Canadese vennootschap Angiotech en de Amerikaanse vennootschap Boston Scientific bij de Rb. ' s-Gravenhage een verklaring voor recht dat de Indiase vennootschap Sahajanand in Nederland en in een aantal andere landen inbreuk maakt op een aan hen toebehorend Europees octrooi, alsmede een verbod om in Nederland en in elk van de andere landen inbreuk te maken op dit octrooi. Sahajanand is van mening dat de Nederlandse rechter onbevoegd is, althans dat rechtsmacht is beperkt tot de Nederlandse rechtssfeer. De rechtbank verklaart zich voor de Nederlandse inbreuk bevoegd op grond van art. 6 Rv, omdat het schadebrengende feit hier te lande is te lokaliseren. Volgens de rechtbank brengt zulks echter geen bevoegdheid met zich mee voor wat betreft de gevorderde grensoverschrijdende maatregelen.1 Eiseressen stellen dat voor de grensoverschrijdende rechtsmacht wel een grondslag is te vinden in art. 9 sub c Rv. Zij voeren aan dat:
`het voor haar [beide eiseressen, Fl] onaanvaardbaar is om in India omtrent de door haar gestelde inbreuk op andere delen van het Europese octrooi dan het Nederlandse deel te gaan procederen, onder meer omdat niet te verwachten valt dat de Indiase rechter een dergelijk oordeel zal willen geven en nog minder dat een eventueel veroordelend vonnis in Europa enig effect zal hebben, laat staan executeerbaar zal zijn.'
Is dit voldoende voor de uitoefening van rechtsmacht krachtens art. 9 sub c Rv? De Rb. ' s-Gravenhage oordeelt van niet:
`Zelfs als het juist zou zijn dat de vorderingen van Angiotech, voorzover niet op Nederland gericht, voldoende met de Nederlandse rechtssfeer verbonden zijn en het onaanvaardbaar zou zijn van Angiotech te vergen in India omtrent de niet-Nederlandse delen van het Europese octrooi te procederen (...), dan nog doet zich niet de situatie voor dat op basis van artikel 9, aanhef en onder c Rv de Nederlandse rechter bevoegd is te oordelen omtrent grensoverschrijdende maatregelen. Voor Angiotech staat immers onder alle omstandigheden de weg open omtrent de niet-Nederlandse delen van het Europese octrooi inbreukvorderingen aanhangig te maken bij de rechters van de landen waarvoor dat Europese octrooi gelding heeft. Angiotech heeft weliswaar aangevoerd dat het ook onaanvaardbaar is van haar te vergen dat zij het oordeel van de diverse Europese rechters inroept, doch zij heeft ter onderbouwing van die — verstrekkende — stelling slechts betoogd dat zulks niet doeltreffend en proces-economisch zou zijn, hetgeen als volstrekt onvoldoende moet worden aangemerkt om een beroep op het forum necessitatis als neergelegd in artikel 9 aanhef en onder c Rv te rechtvaardigen.'
Dit lijkt mij een juiste beslissing. De eisers hebben de mogelijkheid om voor de gerechten van iedere staat waar de inbreuk plaatsvindt een verbodsactie te vorderen. Deze weg zal tijdrovend en kostbaar zijn, doch zulks rechtvaardigt op zich zelf genomen nog geen uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in art. 9 sub c Rv. Verder merken de eisers op dat een eventueel Indiaas vonnis niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komt. Het is juist dat een dergelijke beslissing niet valt onder het soepele erkenningsregime van de EEK-Verordening;2 doch het is te stellig om te menen dat de beslissing in Europa geen effect zal hebben. Voor Nederland geldt dat via de weg van art. 431 Rv in het kader van een nieuwe procedure ten gronde in beginsel een beroep op de buitenlandse beslissing kan worden gedaan. Zelfs indien duidelijk zou zijn dat een buitenlandse beslissing krachtens art. 431 Rv in Nederland niet geëxecuteerd kan worden (bijvoorbeeld omdat de rechtsmacht van de buitenlandse rechter niet is gebaseerd op een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond of omdat de buitenlandse beslissing in strijd is met de Nederlandse openbare orde), vraag ik mij af of de uitoefening van een forum necessitatis-bevoegdheid door de Nederlandse rechter is gerechtvaardigd.3 Wordt de Nederlandse rechter daarmee niet een al te bemoeizuchtig forum?