Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.4
5.7.4 Onaanvaardbaarheidsvereiste
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436745:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, art. 9 Rv, aant. 5.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 41-42 (MvT).
Zie Vzngr. Rb. Amsterdam 14 november 2002, te kennen uit NIPR 2004, 133; Rb. Rotterdam 4 juni 2003, NIPR 2004, 158; Rb. 's-Gravenhage, Sec. Kanton 27 augustus 2003, NIPR 2003, 271; Rb. Rotterdam 4 februari 2004, NIPR 2005, 65; Hof Arnhem 13 juli 2004, NIPR 2004, 362; Rb. Zutphen 10 november 2004, NIPR 2005, 173; Rb. Arnhem 1 december 2004, NIPR 2005, 161; Hof Amsterdam 9 juni 2005, NIPR 2005, 344; Rb Almelo 27 juli 2005, n.n.g. (rolnr. 67514); Rb. 's-Gravenhage 31 augustus 2005, NIPR 2006, 56; Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 22 december 2005, NIPR 2006, 108; Rb. 's-Gravenhage 12 januari 2006, LJN AV2498; Rb. Rotterdam 10 mei 2006, LJN AX2190.
Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 22 december 2005, NIPR 2006, 108.
Rb. 's-Gravenhage 12 januari 2006, LJN AV2498. Vgl. voor het EEX-Verdrag HvJ EG 9 december 2003, C-116/02, Jur. 2003, p. 1-14693, Gasser/MISAT: de litispendentieregeling van art. 21 EEXVerdrag moet aldus worden uitgelegd dat daarvan niet kan worden afgeweken wanneer de gerechtelijke procedure in de verdragsluitende staat waar het eerst aangezochte gerecht is gevestigd, in het algemeen buitengewoon lang duurt (in casu Italië). Vgl. voor het Amerikaanse procesrecht, par. 8.3.
Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 22 december 2005, NIPR 2006, 108.
Hof Amsterdam 9 juni 2005, NIPR 2005, 344.
De vraag rij st in welke gevallen van de eiser niet gevergd kan worden dat hij de zaak onderwerpt aan het oordeel van een buitenlandse rechter? Wanneer is de Nederlandse rechter forum necessitatis in de zin van art. 9 sub c Rv? Dit is geen gemakkelijk te beantwoorden vraag. Aan de Nederlandse rechter is de bepaald niet gemakkelijke taak toegekend om van geval tot geval te beoordelen of de uitoefening van rechtsmacht gerechtvaardigd is. Hierbij dient de nodige terughoudendheid te worden betracht om te voorkomen dat art. 9 sub c Rv uitmondt in een niet te rechtvaardigen forum actoris. De Memorie van Toelichting noemt de volgende voorbeelden; gevallen van oorlog of natuurrampen (hieraan kan worden toegevoegd bijvoorbeeld revolutie),1 situaties waarin als gevolg van het behoren tot een bepaalde bevolkingsgroep een behoorlijke rechtsgang redelijkerwijs niet gewaarborgd is of gevallen van in Nederland opengevallen nalatenschappen van buitenlandse erflaters, waarbij in Nederland woonachtige erfgenamen om hun geslacht of hun religie een discriminerende behandeling kunnen verwachten.2 In deze gevallen ontbreekt een effectieve dan wel eerlijke rechtsgang in het bevoegde buitenlandse gerecht.
Uit de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat art. 9 sub c Rv door eisers met enige regelmaat wordt ingeroepen om de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te creëren.3 Dit was min of meer ook te verwachten, omdat het artikel daartoe uitnodigt. Opvallend is dat het vaak in Nederland gevestigde eisers zijn die zich op art. 9 sub c Rv beroepen. De eisers beriepen zich onder meer op de volgende argumenten: onbekendheid met het buitenlandse rechtssysteem4 (hieraan kan worden toegevoegd: de buitenlandse taal), de lange procesduur in het buitenland5 of, in het verlengde hiervan, dat de behandeling 'op korte termijn' niet mogelijk is6 dan wel in het buitenland 'niet, althans niet op korte termijn een (voorlopige) voorziening kan worden verkregen met betrekking tot de incasso van een geldvordering.7 Nederlandse gerechten zijn, geheel terecht, erg terughoudend met het aanvaarden van rechtsmacht op grond van art. 9 sub c Rv. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt art. 9 sub c Rv als rechtsmachtbasis gebruikt. In de hiernavolgende paragrafen behandel ik enige zaken die zich in de rechtspraak hebben voorgedaan.