Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.4.3.1:7.4.3.1 Huidige benadering bij toepassing van het vertrouwensbeginsel: ‘alles of niets’
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.4.3.1
7.4.3.1 Huidige benadering bij toepassing van het vertrouwensbeginsel: ‘alles of niets’
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661222:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de huidige uitwerking van het vertrouwensbeginsel geldt dat als sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gehonoreerd (paragraaf 4.2.3). De aanslag wordt dan verlaagd conform de gewekte verwachtingen. In de huidige benadering geldt dus ‘alles of niets’. Dat betekent dat ofwel het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt en de aanslag geheel in overeenstemming wordt gebracht met de gewekte verwachtingen (‘alles’), ofwel het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet en de aanslag wordt niet verlaagd (‘niets’).
Uitgaande van deze huidige benadering betekent dit voor het rechtsgevolg in stap II: redelijke verwachtingen na stap I moeten vervolgens worden gehonoreerd in stap II (‘alles’). Bezien vanuit het op zichzelf staande, rechtens te beschermen belang van nakoming van (gerechtvaardigde) verwachtingen én de afwezigheid van directe derdenbelangen in het belastingrecht (financiële tweepartijenrelatie) is dit een redelijke uitkomst (paragraaf 4.2.3).
Kanttekening is dat het aanhouden van de ‘alles of niets’-benadering in de voorgestelde koerswijziging meebrengt dat burgers in concrete gevallen, (veel) eerder dan onder de huidige koers, een (volledig) in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen aan voorlichting. Het dispositievereiste geldt bij het afwegingskader immers niet als noodzakelijke voorwaarde voor redelijke verwachtingen en daarmee geldt het vereiste niet langer als ‘rem’ op toepassing van het vertrouwensbeginsel. De juridische rechtvaardiging van toepassing van het vertrouwensbeginsel onder deze ruimer beschermende koers ligt in het (zwaardere) gewicht dat moet worden toegekend aan het rechtszekerheidsbeginsel in de weging met het legaliteitsbeginsel.
Tegelijkertijd roept deze uitwerking van de ruimer beschermende koers evident vragen op, zoals: gaat dit niet te ver? Wat zijn de financiële consequenties voor de overheid? Is het hek dan niet van de dam? Hoe om te gaan met misbruik? Op de daarin besloten liggende bezwaren – die voor een belangrijk deel terecht zijn – kom ik terug bij de behandeling van de bezwaren tegen mijn voorstel (paragraaf 7.6). Daarop vooruitlopend merk ik vast op dat deze bezwaren serieuze aandacht verdienen, en tegelijkertijd geen reden zijn om vast te houden aan de huidige, zeer terughoudende koers.