Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.6.5
II.5.6.5 Gevolgen van schending van de motiveringseisen
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: CRvB 13 maart 2009, AB 2009/226. Hierover bestaat overigens wel discussie in de literatuur; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 312.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 312.
Schueler e.a. 2007, p. 66.
PG Awb I, p. 314.
Damen e.a. 2009, Deel II, p. 251; Schueler e.a. 2007, p. 68; Addink, E 7:12-5; Van Waterschoot 2002, p. 191; Neerhof 1999b, p. 73. Zie bijv.: AbRvS 28 september 2005, JB 2005/323; AbRvS 12 januari 2005, JB 2005/65.
PG Awb I, p. 270 en p. 272. Overigens werd zulks opgemerkt in het kader van de motiveringsplicht in de primaire fase en gaf de wetgever aan dat gebreken in de kenbaarheid van de motivering nog hersteld konden worden in bezwaar. Maar voor de gebreken in dat opzicht in het besluit op bezwaar, geldt eveneens dat deze in beroep hersteld kunnen worden, zie ook: Van Waterschoot 2002, p. 191.
Zie bijvoorbeeld: AbRvS 1 mei 2000, JB 2000/177 m.nt. ARN; CRvB 26 juni 1998, Rawb 1998/8 m.nt. BdeW. Zie hierover ook: Damen e.a. 2009, Deel II, p. 251; Dingemans 2008, p. 105; Van Waterschoot 2002, p. 190.
CBb 20 februari 2001, AB 2001/169 m.nt. JHvdV; AbRvS 25 februari 2000, AB 2002/42 m.nt. Verheij.
CBb 1 oktober 1997, AB 1998/81 m.nt. HBr; CRvB 27 juni 1997, AB 1997/377 m.nt. de L.; JB 1997/177 m.nt. R. Seerden. De laatste uitspraak betrof overigens een primair besluit waaraan het motiveringsgebrek kleefde. Zie ook: Neerhof 1999b, p. 76.
AbRvS 2 maart 2005, JB 2005/117; AB 2005/136 m.nt. FM.
Schueler e.a. 2007, p. 60-61.
Zie bijvoorbeeld: AbRvS 12 oktober 2005, JB 2005/328 m.nt. A.M.L.J; AbRvS 10 maart 1997, JB 1997/87 m.nt. R.J.G.H. S. Zie hierover ook: Neerhof 1999b, p. 78 e.v. 831
Zie over deze ontwikkelingen par. 4.3.9 van Deel I.
AbRvS 10 juni 2009, AB 2009/369 m.nt. Nijhuis en Den Ouden.
CRvB 7 maart 2000, AB 2000/214 m.nt. HBr.
CRvB 29 april 2003, AB 2003/307 m.nt. HBr; CRvB 12 november 1997, AB 1998/44; CRvB 8 juli 1997, AB 1997/329 m.nt. FP; JB 1997/179 m.nt. R. Seerden.
In het algemeen wordt aangenomen dat het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur behoort tot de categorie formele beginselen behoorlijk bestuur.1 Die kwalificatie is met name van belang vanwege de gevolgen die dit met zich brengt, indien het motiveringsbeginsel geschonden wordt geacht door de rechter. Schending van vormvoorschriften of formele procedurele vereisten die voortvloeien uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behoeven immers geen diskwalificatie van de inhoud van het besluit in te houden of inachtneming van die vereisten behoeft niet per definitie tot een ander inhoudelijk besluit (in de zin van dictum) te leiden.2 Dat laatste kan ook het geval zijn, indien het motiveringsbeginsel is geschonden.
Daarnaast is het zo dat schendingen van vormvoorschriften gepasseerd kunnen worden op grond van artikel 6:22 Awb, indien belanghebbenden daardoor niet benadeeld worden. Dat lijkt met name het geval te zijn wanneer er ondanks het vormgebrek inhoudelijk maar één besluit mogelijk is, in het geval van een gebonden bevoegdheid van het bestuur derhalve.3 De wetgever heeft duidelijk aangegeven dat de regels inzake de motivering van besluiten behoren tot de vormvoorschriften.4 Daarbij moet echter de kanttekening geplaatst worden dat het motiveringsbeginsel zelf twee aspecten kent zoals hierboven aangegeven: een materieel aspect en een formeel aspect. Uitsluitend dit laatste aspect van het motiveringsbeginsel moet worden gezien als een vormvoorschrift waarvan schending eventueel gepasseerd kan worden.5 Ook de wetgever meent dat juist voor schendingen van het formele motiveringsbeginsel artikel 6:22 van belang kan zijn.6 Schort het aan de materiële motiveringseisen kan een schending volgens de bestuursrechter niet gepasseerd worden op grond van die bepaling.7Al gebeurt dat een enkele keer toch.8 Mogelijk is ook dat gedurende de procedure bij de bestuursrechter blijkt dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd, waardoor vernietiging achterwege blijft, mits de belanghebbende heeft kunnen reageren.9 Ook schending van de specifieke motiveringsplichten, zoals de eis neergelegd in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, is weleens gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb.10
Voorts heeft de bestuursrechter ook in dit verband vanzelfsprekend de mogelijkheid om het besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen in stand te laten, op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Die mogelijkheid bestaat in elk geval, indien na de vernietiging wegens het motiveringsgebrek nog maar één besluit mogelijk is of het bestuur gedurende de procedure het motiveringsgebrek hersteld heeft.11 Deze bevoegdheid kan in bepaalde gevallen wel gebruikt worden ten aanzien van materiële motiveringsgebreken.12 De afgelopen tijd zijn de mogelijkheden om gebruik te maken van deze bevoegdheid in de jurisprudentie bovendien verruimd vanwege de noodzaak tot finale geschilbeslechting.13 In een uitspraak waarin het ging om een gebrek in de draagkracht van de motivering van het besluit op bezwaar, overweegt de Afdeling dat voor het instandlaten van de rechtsgevolgen niet vereist is dat rechtens nog maar één besluit mogelijk is.14 Vervolgens bevestigt zij de vernietiging van het besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb door de rechtbank met instandlating van de rechtsgevolgen. Daarnaast kan vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen in de rede liggen bij schending van de specifieke motiveringsplichten, zoals de motiveringseisen in combinatie met het achterwege laten van het horen.15 Gelet op het feit dat het horen essentieel is in de bezwaar-schriftprocedure is de schending van deze specifieke motiveringseis uit artikel 7:12, eerste lid, van de Awb des te klemmender, waardoor wellicht eerder (dan toepassing van artikel 6:22 Awb) een vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen in de rede ligt, indien blijkt dat terecht is afgezien van het horen.
Tot slot bevatten ook de voorschriften inzake de motivering van besluiten geen bepalingen van openbare orde, waardoor de bestuursrechter niet ambtshalve kan nagaan of aan de motiveringseisen is voldaan.16