Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.4.3
3.4.3 Ex post vermogensonttrekking, leverage en risicoverhoging
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404621:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze risico’s worden ook wel de agency costs of debt genoemd. Zie Myers 1977, p. 147 en Smith & Warner 1979, p. 117-161.
Zie par. 2.2.
Zie nader Bratton 2006, p. 46.
Stiglitz 1972, p. 462 overweegt dienaangaande: “When there is a finite probability of bankruptcy, the rule of firm value maximization is not equivalent to maximizing the value of equity, and it is clearly the latter with which firms are concerned.” Zie over deze problematiek ook Lennarts 2006c, p. 4 en Bruloot 2012, p. 286.
In economische termen kan de inbreng van de aandeelhouders op dat moment worden aangemerkt als een sunk cost.
De kans bestaat echter dat na het moment van kredietverstrekking het risicoprofiel van de vennootschap zodanig wijzigt, dat het kredietrisico van de crediteur toeneemt. Voor zover deze wijziging het gevolg is van tegenvallers die aan het ondernemen inherent zijn, leidt dit niet tot een externaliteit. Het betreft hier immers de verwezenlijking van een risico waarvoor de crediteur (in de vorm van de risicoopslag in de rentvergoeding) ex ante is gecompenseerd.
De wijziging van het risicoprofiel kan echter ook een direct gevolg zijn van het handelen van de vennootschap of haar aandeelhouders. In de economische literatuur wordt een drietal mogelijkheden onderscheiden waardoor de vennootschap en haar aandeelhouders het risicoprofiel van de vennootschap kunnen beïnvloeden.1 Ten eerste kunnen aandeelhouders vermogen aan de vennootschap onttrekken, waardoor het verhaalsobject van de schuldeisers wordt afgeroomd en dientengevolge het kredietrisico van de crediteuren toeneemt (asset dilution). Hiervan is sprake bij formele uitkeringen aan aandeelhouders, maar ook bij andere transacties tussen de vennootschap met haar aandeelhouders die resulteren in een overheveling van vermogen naar de aandeelhouders.
Daarnaast kan de vennootschap nieuw krediet aantrekken, mogelijk tegen zekerheden, waardoor de vorderingen van de bestaande schuldeisers verwateren (claim dilution). In beginsel heeft het aantrekken van vreemd vermogen geen gevolgen voor de omvang van het eigen vermogen van de vennootschap,2 maar daardoor stijgen wel de rentelasten en zal de crediteur tijdens een collectief verhaal (zoals in faillissement) meer crediteuren naast zich moeten dulden.3
Tot slot bestaat de mogelijkheid dat de vennootschap haar vermogen na de kredietverstrekking gaat aanwenden voor risicovollere activiteiten dan op het moment van kredietverstrekking werd voorzien (asset substitution). In dat geval heeft de crediteur het grotere risico niet in de door hem gerekende rentevergoeding kunnen verdisconteren. Vooral als de vennootschap zich in financieel zwaar weer bevindt, bestaat het risico dat de vennootschap het vermogen dat haar nog resteert, inzet voor zeer risicovolle activiteiten. Men spreekt dan van gambling for resurrection.4 In dat geval weten de aandeelhouders dat zij niets zullen ontvangen in een eventueel faillissement (zij zijn out of the money), zodat voor hen een rationele stimulans bestaat om een gok te wagen op de goede afloop met het geld dat in faillissement was toegekomen aan de schuldeisers. Pakt de gok goed uit, dan krijgen de aandelen weer waarde, pakt het verkeerd uit, dan verliest de aandeelhouder niet meer dan dat hij toch al kwijt was geweest als hij de gok niet had gewaagd en het faillissement direct was aangevraagd.5