Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.4.3
3.2.4.3 Wegvallen bevoegdheid
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS617285:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 9, p. 8.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 834, nr.12, p. 17-18.
Volgens de Minister kan bij vernietiging van een concessie een soortgelijk resultaat worden bereikt op basis van artikel 8:72, derde lid Awb.
Van Velten 2006b, p. 700.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 17.
Op basis van de parlementaire geschiedenis lijkt de minister geneigd te zijn om te stellen dat er voor de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid BW weinig ruimte zou zijn. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 12, p. 21: 'Er kan immers niet van worden uitgegaan dat de grondeigenaar zich naar huidig recht op verticale natrekking kan beroepen.'.
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 12, p. 20.
Stb. 2008, 120. Zie ook: Kamerstukken II 2004/05, 29387, nr. 8.
De bevoegdheid tot aanleg van een net kan achteraf wegvallen door bijvoorbeeld beëindiging door tijdsverloop of vernietiging van de onderliggende overeenkomst of door ontbinding ervan. Dit heeft in beginsel geen effect op de eigendom van het net. In de parlementaire geschiedenis wordt hierover opgemerkt:1
`Indien de bevoegdheid, op grond waarvan het net in de grond van een ander is aangelegd, na de aanleg van het net wegvalt, heeft dit overigens geen invloed op de eigendom van het net.'
In de nota naar aanleiding van het nader verslag2 licht de minister dit punt nog verder toe. Vernietiging van een overeenkomst of concessie kan tot onbevoegdheid leiden, omdat deze in beginsel terugwerkt. Wanneer een overeenkomst, op basis waarvan de toestemming was verleend, wordt vernietigd, dan kan de rechter indien de reeds ingetreden gevolgen bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen (artikel 3:53, tweede lid BW).3 De aanlegger kan alsdan de verplichting krijgen een geldbedrag te betalen aan de partij die door het niet intreden van de terugwerkende kracht wordt benadeeld. De eigendom van het net blijft echter dan bij de onbevoegde aanlegger berusten. Een ander gevolg kan echter zijn dat, ondanks het feit dat de aanlegger eigenaar blijft van het onbevoegd aangelegde net, hij op grond van de van toepassing zijnde regelgeving een verplichting heeft het net toch te verwijderen.4 Bij een nietige overeenkomst zal de aanlegger het net in beginsel moeten verwijderen, tenzij de rechter artikel 3:53, tweede lid BW van overeenkomstige toepassing verklaart, wat volgens de parlementaire geschiedenis mogelijk is.5
Het achteraf vervallen van de bevoegdheid om aan te leggen (bijvoorbeeld het intrekken van een aanlegvergunning) heeft, volgens de minister, in de regel niet tot gevolg dat het net vanaf dat moment door de grond wordt nagetrokken. In deze situatie zal nog zeer wel in overeenstemming met de huidige rechtspraak horizontale natrekking kunnen plaatsvinden op grond van artikel 5:20, eerste lid onder e slot BW. De horizontale natrekking zal echter geen uitkomst bieden, zoals de minister betoogt, als het volledige net onbevoegd is aangelegd en er geen 'aanknopingspunten' zijn op basis waarvan de horizontale natrekking zou kunnen gelden. Wie dan als eigenaar van het net is te beschouwen, laat de parlementaire geschiedenis in het midden.6 Dit brengt mij ook bij de situatie waarin de aanlegger van een reeds aangelegd net niet meer te traceren is. Indien een dergelijk net nog in gebruik is, zal de huidige gebruiker of beheerder van een dergelijk net vermoed worden eigenaar te zijn. Als een dergelijk net niet meer gebruikt wordt, maar bijvoorbeeld wel in de weg ligt voor aanleg van een ander net of opstal, bij wie dient men dan te rade te gaan? Is een dergelijk net dan aan te merken als een onroerende zaak die toebehoort aan de Staat, conform artikel 5:24 BW, of is dan toch de hoofdregel van de verticale natrekking van toepassing en is de grondeigenaar tevens eigenaar van het net? De minister heeft voor deze situatie(s) geen uitsluitsel gegeven, maar verwijst naar artikel 5:20 onder e BW dat aan de rechter zou overlaten om te bepalen of sprake is van verticale dan wel horizontale natrekking.7 Als echter de horizontale natrekking niet opgaat dan kan in deze situatie toch alleen de 'normale' hoofdregel van artikel 5:20 eerste lid BW van toepassing zijn (de verticale natrekking). De grondeigenaar heeft — wanneer het niet meer gebruikte net in de weg ligt — ook een belang om te 'beschikken' over het net. De aanwezigheid van het buiten gebruik zijnde net kan immers het gebruik van de grond en impliciet de vermogenswaarde van de grond ernstig frustreren. Mogelijk zal de hiervoor geschetste situatie zich regelmatig gaan voordoen. Dit lijkt te volgen uit het feit dat in het kader van de Wion8 op deze situatie wordt vooruit gelopen, althans de wetgever heeft gemeend een aparte bepaling (artikel 18 Wion) aan niet meer in gebruik zijnde netten (ook wel `weesleidingen' genoemd) te moeten wijden. In de Wion is voor weesleidingen een regeling opgenomen met de strekking dat gemeenten de informatie over leidingen, waarvan de eigenaar of beheerder niet meer te traceren is, moeten gaan beheren. Kennelijk is er (of: verwacht de wetgever) een groot aantal weesleidingen aan te treffen in de Nederlandse ondergrond; immers anders zou een uitdrukkelijke wettelijke regeling hiervoor niet nodig zijn. Het feit dat gemeenten de (wettelijke) taak krijgen op grond van de Wion om over deze leidingen de liggingsinformatie — indien voorhanden — te verschaffen wanneer deze leidingen binnen het opgegeven graafgebied liggen, zegt echter niets over de eigendom van deze leidingen. Ik acht het echter voorstelbaar dat gemeenten zich op het standpunt zullen stellen dat zij de eigendom van deze weesleidingen hebben (verkregen) op basis van de verticale natrekking indien niemand zich meldt als eigenaar van de weesleiding en deze leiding om wat voor reden dan ook in de weg ligt of de vermogenswaarde van de gemeentegrond frustreert.