Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.3.2
2.3.2 Verzoening van Augustinus’ Stad van God en Stad der Wereld: de innige relatie van de christen-burger met zijn aardse rechtsorde
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181191:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J. van Oort, Jeruzalem en Babylon. Een onderzoek van Augustinus’ De Stad van God en de bronnen van zijn leer der twee steden (rijken), (diss.), ’s- Gravenhage: Uitgeverij Boekencentrum B.V. 1986; A. Sizoo, Augustinus over den staat, Kampen: J.H. Kok N.V. 1947; Tarmo Toom (red.), Augustine in Context, Cambridge University Press: 2017; Erik Kenyon, Augustine and the Dialogue, Cambridge: Cambridge University Press 2018.
A. Sizoo 1947, p. 6.
Van Oort 1986, p.48.
De theodicee is de argumentatie voor de rechtvaardiging van het bestaan van enerzijds een God die almachtig en volmaakt is en anderzijds het kwaad in de wereld.
Aurelius Augustinus, De stad van God (vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld), Amsterdam: Ambo 2011 (oorspronkelijke uitgave 426), Boek I; Boek XV:1-8.
Luidende: “Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o Stad Gods.” Sizoo 1947, p. 10.
Augustinus 426, Boek XV:5-8.
Van Oort 1986, p. 97.
Sizoo 1947, p. 11.
In de woorden van Augustinus: “En zolang zij [de Stad van God] in de aardse stad haar leven in den vreemde als dat van een gevangene doorbrengt, na wel reeds de belofte van de verlossing en de gave van de Geest als onderpand te hebben ontvangen, heeft zij er dus geen bezwaar tegen gehoorzaam te zijn aan de wetten van de aardse stad, waardoor datgene wordt geregeld wat geëigend is om het sterfelijk leven in stand te houden. Zo blijft, omdat de beide steden het sterfelijke leven gemeen hebben, in alles wat met dat leven te maken heeft de eendracht tussen hen bewaard.” Augustinus 426, Boek XIX:17.
Zie ook Sizoo 1947, p. 14.
Dat de christen-burger een rechtsrelatie dient te hebben met de aardse rechtsorde, blijkt tevens uit Augustinus’ Enerratio in Psalmum 51: “We find a citizen of Jerusalem, a citizen of the kingdom of God, entrusted with secular administration. He may wear the purple, or be an officer of the state, or a magistrate, or a proconsul, or a general. He discharges civic duties, but he keeps his heart raised above them if he is a Christian, a believer, a Godfearing person, who sets little store by the circumstances in which he finds himself and puts his hope in those he has not attained yet… We should not despair of the citizens of the heavenly kingdom, therefore we see them transacting the business of Babylon or dealing with earthly matters in this earthly political area.” R.C. Crouse, Two Kingdoms & Two Cities. Mapping Theological Traditions of Church, Culture, and Civil order, Augsburg Fortress Publishers 2017, p. 163. Zie ook: R. Dodaro, ‘Political and Theological Virtues in Augustine, Letter 155 to Macedonius’, Augustiniana, Vol. 54, No. 1/4, 2004; G. Karapetian, EU Citizenship from a Christian Theological Perspective: An Inquiry into Citizenship, Loyalty and Secular Transcendence, te verschijnen 2020/21.
Dit blijkt uit Romeinen 13:1-7: “1 Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd. 2 Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. 3 Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben; 4 Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet. 5 Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil. 6 Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. 7 Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, dien gij de eer schuldig zijt.”
Hiertegenover staat volgens Augustinus uiteraard dat, aangezien de macht van de overheid afkomstig is van God, de aardse staat dient te verzekeren dat Gods Rijk op aarde vrede en rust geniet. Sizoo 1947, p. 22; Augustinus 426, XIX, 17.
Gedacht kan worden aan de werken van Thomas van Aquino en de werken van Grigorius van Narek. R.W. Dyson (red. en vertaler), Aquinas. Political Writings, Cambridge University Press 2002; St. Gregory of Narek, Book of Lamentations (vertaling van Մատեան ողբերգութեան), Surb Etchmiadzin 2016.
Augustinus’ staatsleer is een bron van onderzoek geweest voor veel auteurs.1 Augustinus werd geboren in 354 te Thagaste in Numidië en sloot zich op twintigjarige leeftijd aan bij de sekte van de Manicheeërs. Ruim een decennium later, in 384, werd bij benoemd tot stedelijk leraar in de retorica in Milaan. Al gauw maakte hij zich los van de Manicheeërs en bekeerde hij zich onder invloed van de Milanese bisschop en kerkvader Ambrosius tot het christendom.2 Zijn magnum opus, de tweeëntwintigdelige De civitate Dei, is geschreven tussen 412 en 426. De aanleiding voor het schrijven van dit boek is de val van Rome in 410 na een belegering van de stad onder de Visigotische leider Alarik.3 Kort na deze gebeurtenissen bereikten Augustinus vragen naar het waarom van de val van Rome, het waarom van de plunderingen en het waarom van de catastrofe. Het boek is geschreven als antwoord aan degenen die het christendom verantwoordelijk hielden voor deze aftakeling van Rome. In De civitate Dei worden de geschiedenis van het christendom, de theodicee4 en de richtlijnen voor het bestaan van de christen op de aarde door Augustinus geïllustreerd aan de hand van twee metafysische grootheden: de Stad van God en de Stad der Wereld.5 De Stad van God – de benaming is denkelijk ontleend aan Psalm 87:36 – staat voor Gods Rijk. De Stad der Wereld, gesticht door Kaïn bij zijn broedermoord, staat voor de aardse, tijdelijke stad van de goddelozen.7 De namen die Augustinus in het boek gebruikt voor beide Steden tonen de antithese tussen beide grootheden aan.8 Voor de Stad van God hanteert hij onder andere de woorden: ‘de hemelse stad’, ‘de eeuwige stad’, ‘de stad van de vromen’, ‘de onsterfelijke stad’, ‘de heilige stad’. De Stad der Wereld wordt daarentegen omschreven als: ‘de Stad van de duivel’, ‘de aardse stad’, ‘de tijdelijke stad’, ‘de stad van de goddelozen’, ‘de sterfelijke stad’. De tegenstelling tussen beide Steden is derhalve absoluut. Hoewel Augustinus ook met ‘Jeruzalem’ verwijst naar de Stad van God en met ‘Babylon’ naar de Stad der Wereld, worden geen specifieke historische rijken bedoeld met deze twee grootheden. Wel is het zo dat de heidense staten voor de komst van het christendom de Stad der Wereld vertegenwoordigden, terwijl Israël, het beloofde land in het Oude Testament, stond voor de Stad van God.9
De antithese tussen beide Steden geldt in de gedachtegang van Augustinus tevens voor hun burgers. In De civitate Dei worden de burgers in geestelijke zin omschreven: de burgers van de Stad van God zijn gelovigen, de burgers van de Stad der Wereld ongelovigen. De burgers van de Stad van God leven wel samen met de burgers van de Stad der Wereld. De twee Steden zijn immers in theorie gescheiden, maar in de praktijk wonen beide typen burgers samen. Daarnaast geldt dat de burgers van de Stad van God en de burgers van de aardse wereld een sterfelijk leven leiden op deze wereld. Van belang is dat zij derhalve in vrede leven met elkaar.10 Om deze reden stelt Augustinus dat de staat een organisme is ‘dat opgegroeid is uit de afzonderlijke burgers als kiemen en elementen’.11 Met ‘burgers’ in deze zinsnede wordt gedoeld op zowel de gelovige als de ongelovige burgers. Met betrekking tot de verhouding tussen de burgers van de Stad van God en de Stad der Wereld, stelt Augustinus dat een christen tevens zijn gehoorzaamheid dient te uiten ten aanzien van de vergankelijke en sterfelijke stad. De innigheid van de rechtsrelatie tussen de christelijke burgers en de aardse rechtsorde wordt meermaals erkend. Dit blijkt uit onder andere de volgende passages:
(Singuli homines) sunt tanquam elementa et semina civitatum. – Enerratio in Psalmum IX:8.
De afzonderlijke mensen zijn als het ware de elementen en de zaden der staten.
Singulus quisque homo, ut in sermone una littera, ita quasi elementum est civitatis et regni, quantalibet terrarum occupatione latissimi. – De civitate Dei IV:3.
Iedere afzonderlijke mens is, evenals in de taal één letter, als het ware een element van den staat en van het koninkrijk, ook al strekt dat zich nog zo wijd uit en al beslaat het nog zo grote landoppervlakte.
Hoewel er wezenlijke verschillen bestaan tussen beide Rijken van Augustinus, is opvallend dat de burgers van het hemelse rijk volgens Augustinus mee dienen te draaien in het aardse rijk.12 De rechtvaardiging hiervoor zoekt Augustinus in de omstandigheid dat alle macht (dus ook de macht in de Stad der Wereld) is afgedaald van God.13 Om deze reden is de christelijke burger tevens gehoorzaamheid verschuldigd aan het aardse rijk, waar hij in vreemdelingschap verkeert.14 Daarbij geldt de plicht die rust op de burgers van de Stad van God om de burgers van de aardse stad voor te houden hoe groot de zaligheid is in het andere, goddelijke rijk. Deze gedachtegang vindt tevens bevestiging in werken van latere christelijke theologen.15
Christelijk burgerschap geeft evenals aards burgerschap een bepaalde rechtsverhouding weer. Waar het bij aards burgerschap gaat om de verhouding van de burger tot zijn wereldse rechtsorde, gaat het bij het christelijke burgerschap om de verhouding van de christen tot Gods Koninkrijk. Het kenmerkende verschil tussen het aardse burgerschap en het christelijk burgerschap is dat bij dit laatste, vanwege de omstandigheid dat het is toegekend door God, de loyaliteit jegens de aardse rechtsorde verschuift naar loyaliteit en toewijding jegens God. Net als aards burgerschap (gedacht kan worden aan het hierboven uiteengezette Spartaanse burgerschap) echter, kent het christelijke burgerschap een vergelijkbaar construct waarbij burgers in beginsel aanspraak maken op de rechten in het hiernamaals. De monnik die in isolement zijn leven leidt, doet dit in beginsel met het oog op de beloofde beloning in Gods Koninkrijk. Hoewel er een relevante verschuiving plaatsvindt ten aanzien van de vraag door wie het burgerschap wordt verschaft en in het verlengde daarvan aan wie/waaraan volledige toewijding toekomt, valt op dat in de christelijk-theologische literatuur niettemin als uitgangspunt geldt dat de christen tevens aan zijn aardse rechtsorde gehoorzaamheid is verschuldigd. Dit is te rechtvaardigen door de omstandigheid dat alle macht volgens de Bijbel, dus ook de macht op aarde, afkomstig is van God.
In de praktijk kreeg Augustinus’ theologische benadering van de rechtsverhouding tussen de burger en zijn aardse rechtsorde geen navolging, zoals zal blijken uit de volgende paragraaf. In de Middeleeuwen raakte het aardse burgerschap namelijk op de achtergrond vanwege andere factoren, zoals de feodale inrichting van de samenleving. Over deze teloorgang en vervolgens wedergeboorte van burgerschap in de Renaissance, volgt meer in de volgende paragraaf.